Meer invloed met een sterkere vakbond

Sinds de jaren zestig is de organisatiegraad van werkenden gehalveerd, terwijl bedrijfseigenaren nog steeds met 90 procent georganiseerd zijn. In dezelfde periode is de verzorgingsstaat zo ongeveer afgebroken.

Hoe zit het?

Het staat vast dat de vakbeweging de afbraak van de verzorgingsstaat niet heeft kunnen voorkomen. Waar tot de jaren negentig het vaste contract de norm was, is nu 37 procent van de werkenden opgezadeld met een onzeker flexcontract. De werkloosheidsverzekering is in duur meer dan gehalveerd en de voorwaarden zijn aangescherpt. De lonen zijn, gecorrigeerd voor inflatie, sinds de jaren tachtig nauwelijks gestegen. De ongelijkheid tussen de top en de rest is toegenomen.

De organisatiegraad is in Nederland gedaald van 39 procent in 1960 tot 19 procent nu. Deze daling heeft in ieder geval te maken met de flexibilisering, veranderingen in werkgelegenheid en opleidingsniveau. Van de flexmedewerkers is slechts 5 procent lid van een vakbond. In de sectoren waar de vakbeweging traditioneel sterk was, zoals de bouw en de industrie, daalt de werkgelegenheid snel. Terwijl het aantal banen snel groeit in sectoren waarin de vakbeweging al zwak was, zoals de dienstverlening. Daarnaast zijn lager geschoolden traditioneel vaker lid van een vakbond, terwijl de bevolking steeds hoger opgeleid is. Ondanks de organisatiegraad van 19 procent, bepaalt de vakbeweging nog steeds voor 80 procent van de werkenden hun arbeidsvoorwaarden. Daarmee zwelt de discussie over de representativiteit aan.

Wat er al gebeurt

Vanuit de regering gebeurt niets om de positie van de vakbeweging te versterken. Als vakbonden zich naar de mening van de regering niet constructief genoeg opstellen, wordt onmiddellijk fijntjes benadrukt dat vakbonden niet representatief zijn voor alle medewerkers. In dit klimaat wordt de algemeenverbindendverklaring van cao’s met enige regelmaat ter discussie gesteld. Het gebeurt ook steeds vaker dat stakingen door rechters worden verboden, waarmee het zwaarste wapen als drukmiddel minder effectief werkt. Er ontstaan daardoor bewegingen buiten de vakbeweging om, zoals PO in Actie, en bedrijfseigenaren maken in dit klimaat de medezeggenschap steeds belangrijker. In plaats van versterking, vindt eerder verdere verzwakking plaats. De grootste vakbond doet pogingen om sterker op de werkvloer te worden, maar dat heeft het tij nog niet kunnen keren.

Wat kunnen we doen?

Representatievere vakbonden met meer invloed

Elke vakbond kan een cao afsluiten, die ook algemeenverbindend verklaard kan worden. Ongeacht hoe groot deze bond is. Zo kunnen kleine bonden achter de rug van de grootste bond om cao’s afsluiten. Daarnaast hebben we te maken met een dalend ledental van bonden. Ze houden hun formele invloed, maar zijn steeds minder representatief. Om vakbonden sterker te krijgen moet aan beide problemen wat gedaan worden. Dat kan bijvoorbeeld door een representativiteitseis in te stellen. Voordat een vakbond een cao kan afsluiten moet deze dan een bepaald percentage leden georganiseerd hebben. Denk bijvoorbeeld aan een eis als de gemiddelde organisatiegraad nu: 20 procent. In sectoren waar een bond goed georganiseerd is, kan deze dan niet meer ondermijnd worden door een kleine bond. En in sectoren waar bonden slecht georganiseerd zijn, heeft de bond een prikkel om zich daar te organiseren.

In de huidige situatie kan een kleine vakbond een grote bond omzeilen daar minder hoge eisen aan de arbeidsovereenkomst te stellen. Daar hebben ze ook nog eens financiëel voordeel bij, doordat bonden door bedrijfseigenaren betaald krijgen per afgesloten cao.De grootste vakbond kan daardoor ‘gedwongen’ worden flinke concessies te doen uit angst buitenspel te staan. Hiervan zijn helaas tal van voorbeelden te noemen in de zorg en de detailhandel. Nu wordt een lage representativiteit beloond, wat nadelig is voor medewerkers. Een representativiteitseis beloont grote representativiteit met meer invloed.

Grotere vakbond, meer rechten

Een vakbond die een minimaal percentage vertegenwoordigt zou ook meer zeggenschap moeten krijgen over wat er in sectoren en bedrijven gebeurt. Hierbij kan worden gedacht aan zeggenschap over de winstdeling (zie pagina 22) en over belangrijke besluiten die de positie van de medewerkers raakt, zoals bij reorganisaties. Wanneer bonden representatiever geworden zijn, kan ook een verbod worden ingesteld op het afsluiten van een cao met de ondernemingsraad. Daarbij komen bonden namelijk buitenspel te staan.

Individuele belangen, collectief behartigd

Het kan geen toeval zijn dat de organisatiegraad in de Scandinavische landen en België ver boven de 50 procent ligt en daarmee fors hoger is dan in alle andere westerse landen. Wat de Scandinavische landen en België gemeen hebben is de belangrijke rol van de vakbonden in de uitvoering van de sociale zekerheid. De Nederlandse vakbonden zouden dan ook een grotere rol moeten krijgen in de sociale zekerheid. Daarnaast moet de Nederlandse vakbeweging veel nadrukkelijker een link leggen tussen individuele en collectieve belangen­behartiging. Achter verschillende individuele problemen ligt vaak een collectieve oorzaak in het bedrijf of de bedrijfstak. Dus van individuele service naar het aanpakken van oorzaken.

Staken

Het ultieme en belangrijkste wapen van de vakbeweging, het collectieve actierecht, mag niet verder worden uitgehold. De belangen van bedrijfseigenaren moeten per definitie geen rol spelen in de afweging of de staking verboden kan worden. Alleen in hele bijzondere uitzonderingsgevallen, die de volksgezondheid of de staatsveiligheid raken, kan door een rechter nog een verbod worden uitgesproken. Daarnaast moet collectieve actie niet alleen mogelijk zijn als laatste redmiddel, maar ook in eerder stadium.