De economie van de permanente oorlog

1 / 7
2 / 7
3 / 7
4 / 7
5 / 7
6 / 7
7 / 7

Overzicht Irak Iran Turkije Israël Saudi Arabië Syrië

20 maart 2003. Een cameraploeg staat in de vroege ochtend nabij Bagdad klaar om te filmen. Even later is live op televisie te zien hoe de bommen inslaan. De Coalition of the Willingvalt onder leiding van de VS Irak binnen. Het land moest vrij en democratisch worden, zo heette het. Fast forward naar 2019: nog steeds zijn de VS en bondgenoten verwikkeld in een oorlog in het Midden-Oosten. Ook Nederland is betrokken. Wat hebben we in het Midden-Oosten te zoeken?

Om die vraag te beantwoorden moeten we eerst terug naar het moment voordat de bommen vielen. Wat bewoog de Verenigde Staten om, zonder steun van de Verenigde Naties, in 2003 Irak binnen te vallen? De verklaring van de regering-Bush rammelde al vanaf het begin. Saddam Hoessein beschikte immers niet over massavernietigingswapens, de voornaamste reden voor de VS om Irak ‘preventief’ binnen te vallen. Dat bleek niet alleen na de inval, bij onderzoek in Saddams wapendepots. De regering-Bush had die informatie, volgens later uitgelekte documenten, al voor de inval.

Bovendien hield Saddam Hoessein zich in de jaren voor 2003 juist relatief rustig. In de jaren tachtig had hij jarenlang gifgas ingezet, ook tegen de eigen burgerbevolking (de Koerden). Maar toen steunde de VS hem gewoon. Ook is het op z’n zachtst gezegd weinig subtiel dat de Amerikaanse invasie de Iraakse overheid en infrastructuur volledig in puin legde, terwijl je juist daar een liberale democratie mee opbouwt.

Brandstof voor de wereld

“Was Irak net zo interessant geweest als er geen olie lag?”, schrijft Greg Muttitt na jarenlang onderzoek in zijn boek Fuel on the Fire. Irak had destijds de op een na grootste voorraden ter wereld. De olie is er relatief makkelijk en goedkoop te winnen. Bovendien was de verwachting dat veel voorraden nog onontdekt waren. Ook de bekende olievoorraden waren amper in productie, omdat VN-sancties het regime van Saddam Hoessein isoleerden. “Het doel van de Irak-invasie,” schrijft Muttitt, “was de Iraakse olie toegankelijk maken voor de wereldmarkt, om zo de energietoevoer te stabiliseren.”

De aantallen zijn uitgedrukt in miljoenen Trend-Indicator Value (TIV). Een eenheid ontwikkeld door SIPRI om het volume aan wapens onderling te vergelijken. Bron: SIPRI (Stockholm International Peace Research Institute)

Olie is de goedkoopste en wereldwijd meest gebruikte energiebron. Niet alleen onze auto’s en machines draaien erop. Het is ook de grondstof voor kunststof en we hebben olie nodig voor kunstmest om aan ons eten te komen, voor asfalt en onze medicijnen. Olie voedt alle 200.000 vliegbewegingen en de schepen die de 25 miljoen scheepscontainers per dag over de wereld vervoeren. Als de aanvoer van olie stopt, dan stopt de moderniteit.

De paradox van de globalisering is dat de grondstof die markten en productieketens over de hele wereld met elkaar verbindt, zelf juist sterk lokaal geconcentreerd is. De helft van de wereldwijd bekende oliereserves ligt in het Midden-Oosten. Aardolie is daar ongeveer honderd jaar geleden ontdekt. In de beginjaren wordt de olie gewonnen door westerse oliebedrijven, immers de enige met de kennis om de brandstof uit de grond te krijgen. Vooral Frankrijk en Engeland oefenen hun dominantie in het Midden-Oosten uit om hun oliebedrijven een handje te helpen.

De aantallen zijn uitgedrukt in miljoenen Trend-Indicator Value (TIV). Een eenheid ontwikkeld door SIPRI om het volume aan wapens onderling te vergelijken. Bron: SIPRI (Stockholm International Peace Research Institute)

Politiek met de oliekraan

Vrijwel alle olieopbrengsten gaan begin twintigste eeuw naar de westerse oliebedrijven. Maar leiders in onder andere Iran, Saudi-Arabië en Irak eisen een steeds groter deel van de opbrengst. Dat lukt ze, onder dreiging van nationalisering van de olie-industrie. We gaan op een korte tournee door het Midden-Oosten.

In 1953 nationaliseert Iran de olie onder de democratisch gekozen president Mossadeq daadwerkelijk; tot dan toe waren de velden in handen van de voorloper van British Petroleum (BP), Anglo-Persian Oil Company. De Britten en de VS organiseren via de CIA een coup en helpen de sjah in het zadel, waarmee ze toegang blijven houden tot de oliebronnen. Maar de ingreep draagt eraan bij dat in 1979 de conservatieve islamist Khomeini met een revolutie aan de macht kan komen. De aanvoer van olie naar het Westen stopt.

Het Midden-Oosten komt voor de Amerikanen pas in 1933 in beeld. De Britten weigeren namelijk olie te winnen in Saudi-Arabië en het land zoekt zijn toevlucht bij Amerikaanse oliebedrijven. Die willen wel en Aramco (Arabian-American Oil Company) wordt opgericht. Van het zakendoen tussen de oliebedrijven groeit de band uit tot een bondgenootschap tussen de landen. Gaandeweg eisen de Saudi's een steeds groter deel van de opbrengst op en in 1980 nationaliseren ze de olie-industrie – maar het bond-genootschap met de VS blijft intact. De deal is Arabische olie in ruil voor Amerikaanse militaire verdediging.

In 1972 nationaliseert Irak de olievelden die tot dan in handen waren van de Iraq Petroleum Company, een bedrijf van Shell, het Franse Total en Britse BP. Een veelgebruikte slogan uit die tijd zegt genoeg: Arab oil for Arab people. Saddam Hoessein geniet steun van de VS als buffer tegen het Iran van Khomeini. Maar met de inval in Koeweit en de daaropvolgende Golf-oorlog verspeelt Saddam Hoessein alle krediet. 

Tot zover de korte tournee. De landen eisen niet alleen nationaal hun deel op. Internationaal werken ze vanaf 1960 samen in de Organisatie van Olie-exporterende Landen (OPEC). De agenda van dit kartel is de olieprijs stabiel te houden. Maar al snel blijkt dat de samenwerking ook ingezet kan worden om de olieprijs te verhogen door de oliekraan dicht te draaien, of om politiek te bedrijven. In 1973 boycotten alle OPEC-landen de landen die Israël steunen in de Jom Kipoer-oorlog. Veel Europese economieën raken in een langdurige crisis, die de opkomst zou inluiden van het neoliberalisme. 

Het is dus niet verwonderlijk dat kapitalistische landen buitengewoon grote belangstelling hebben voor de gebieden waar de meeste olie ligt. Het Midden-Oosten, Venezuela en Rusland om er maar een paar te noemen. Het bracht de Amerikaanse president Jimmy Carter ertoe om in 1980 de Carterdoctrine te formuleren: “Laat onze opstelling volledig duidelijk zijn: elke poging van een buitenlandse mogendheid om de Perzische Golf-regio in handen te krijgen zal worden beschouwd als een aanval op de vitale belangen van de Verenigde Staten van Amerika, en een dergelijke aanval zullen we afslaan met inzet van alle noodzakelijke middelen, waaronder het leger.”

Bron: SIPRI (Stockholm International Peace Research Institute)

Militair-industriële belangen

Het veiligstellen van de aanvoer van grondstoffen heeft alles met macht te maken. Militaire macht desnoods. Een groot leger heeft ook wapens nodig, kleding, voer-tuigen, computersystemen en ga zo maar door. Al met al is er een hele industrie nodig om een leger op de been te houden. Waarbij de fabrikanten winst moeten maken, de aandeelhouders tevreden moeten worden gesteld en werknemers van hun loon afhankelijk zijn om te leven. Die belangen gaan meewegen in de politiek. Voor dit fenomeen is zelfs een naam: het militair-industrieel complex.

Het wereldwijde militaire budget bedraagt 1.700 miljard dollar. In totaal verkochten de honderd grootste wapen-producenten voor ruim 400 miljard aan militair materiaal. Daarvan namen de Amerikaanse bedrijven 225,8 miljard voor hun rekening en de Europese 107,5 miljard. Bij de top 100 van wapenbedrijven werken in totaal 3,6 miljoen mensen. Daarvan werkt ruim een miljoen in Europa. De eigenaars van de wapenbedrijven hebben belang bij de winst en de vele werkers bij het loon.

Bron: SIPRI (Stockholm International Peace Research Institute)

Waar belangen zijn wordt invloed nagestreefd. Ook daarvan is de Irakoorlog een treffend voorbeeld. Colin Powell bekleedde als voorzitter van de verenigde chefs van staven de hoogste functie binnen de Amerikaanse strijdkrachten. Later werd hij bekend als de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken die bij de Verenigde Naties betoogde dat Irak moest worden binnengevallen omdat het land massavernietigingswapens zou hebben. Dick Cheney was jarenlang directeur van Halliburton, voor hij als vicepresident van Bush de aanval in Irak steunde. Halliburton is een van de grootverdieners aan deze oorlog. Zo sleepte de multinational na de inval voor 39,5 miljard dollar aan overheidscontracten binnen, op een totaal van de 138 miljard die de Amerikaanse overheid spendeerde aan private bedrijven voor beveiliging, logistieke diensten en bouwopdrachten in Irak.

Oorlogen verhogen de winst van wapenbedrijven en bevorderen economische groei. Bij grote aanslagen of bij oorlogstaal van presidenten, stijgen de beurskoersen van de wapenproducenten. Dat gegeven zet ook de roep om een Europees leger in een ander daglicht.

Olie en militaire industrie gaan hand in hand. Het is de vraag of deze invloeden doorslaggevend zijn in het besluit om ten oorlog te trekken. Maar het zijn onmiskenbaar reële belangen die meespelen. Het zijn economische belangen die voor kapitalistische landen cruciaal zijn. Ze drukken dan ook een groot stempel op de wereldpolitiek, al worden ze vaak verzwegen. Zeg nou zelf, ten strijde trekken voor olie klinkt toch veel minder lekker dan vrijheid en democratie in de Derde Wereld opbouwen?

 

Bronnen kaart: De gegevens over olie-export komt van The Observatory of Economic Complexity. De gegevens over wapenimporten komen van SIPRI (Stockholm International Peace Research Institute).