publicatie

Spanning, januari 2008 :: Kinderarbeid: waar begint het en wanneer eindigt het?

Spanning, januari 2008

Kinderarbeid: waar begint het en wanneer eindigt het?

Wat wordt er precies verstaan onder kinderarbeid en onder ‘licht werk’ van kinderen? In het debat over kinderarbeid bestaan vele verwarrende, niet nader gedefinieerde omschrijvingen. Een krantenwijk voor westerse kids is heel wat anders dan lang en zwaar werk van kinderen in de 24-uurs economie van Azië of Afrika.

Tekst: Frans Röselaers

Kinderarbeid staat opnieuw – of, beter, nog steeds – sterk in de belangstelling. Kinderarbeid komt vaak voor het voetlicht in de media en spreekt tot de verbeelding van veel burgers en consumenten. De strijd tegen uitbuiting van kinderen is een kernpunt in de discussie over mensenrechten, over armoedebestrijding en over duurzame ontwik-keling. Het blijft een wijdverbreid en hardnekkig probleem. Het is een geweldige uitdaging om ervoor te zorgen dat elk kind, waar ook ter wereld, de kans krijgt om haar of zijn talenten op school en zonder belemmeringen te ontwikkelen.

Er is geen gebrek aan definities van kinderarbeid, al is er niet altijd overeenstemming over de inhoud van dit begrip. Iedereen weet wel waar het om gaat, door de vele beelden en getuigenissen en de actualiteit van het vraagstuk. Dat de definitie dan toch omstreden blijft ligt deels aan de uiteen-lopende doelstellingen of afwegingen van beleidsmakers, actievoerders, onderzoekers, families of kinderen zelf. Anderzijds speelt een rol dat in nationale beleidskaders en wetgeving nu eenmaal beter kan worden onderhandeld over verschillende aspecten van dit onderwerp dan over universele formules. De variaties in de beschrijving van een ogenschijnlijk duidelijk probleem kan leiden tot verwarring en onzekerheid over de beste manier om kinderarbeid aan te pakken. En de verleiding kan ontstaan om kinderarbeid weg te cijferen, te gedogen of te legitimeren.

De cijfers

Er is evenmin gebrek aan cijfers over kinderarbeid. Dat is nieuw, want vóór 2000 bestonden ze niet, noch specifieke methoden om kinderarbeid te meten. De laatste harde gegevens zijn gebaseerd op een groot aantal landelijke enquêtes uitgevoerd door de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), UNICEF en de Wereldbank. Deze statistieken geven aan dat in 2004 in totaal 218 miljoen kinderen in alle werelddelen het slachtoffer waren van kinderarbeid, waaronder 126 miljoen in gevaarlijk werk. De overgrote meerderheid woont in ontwikkelingslanden. En 70 procent van hen werkt op het platteland. Reken je kinderen mee die ‘economisch actief’ zijn gedurende enkele uren, maximaal veertien, per week, en degenen die legaal werken boven de minimumleeftijd, dan komen er nog eens 100 miljoen kinderen bij.

Om af te bakenen wat onder kinderarbeid wordt verstaan is het nuttig te verwijzen naar de voornaamste internationale verdragen over dit onderwerp:

  • Het VN-Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) (1989) dat is geratificeerd door 193 VN-lidstaten
  • Het ILO-Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toetreding tot het arbeidsproces (ILO 138)(1973), geratificeerd door 150 ILO-lidstaten (meer dan 80 procent)
  • Het ILO-Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid (ILO 182)(1998), geratificeerd door 165 ILO-lidstaten (meer dan 90 procent).

De vormen van kinderarbeid die verboden zijn op grond van internationale verdragen vallen uiteen in vier categorieën:

  1. Onvoorwaardelijk ergste vormen van kinderarbeid, internationaal gedefinieerd als slavernij, kinderhandel, schuldslavernij en andere vormen van dwangarbeid, rekrutering van kinderen voor gewapende conflicten, prostitutie en pornografie, en illegale activiteiten. De term ‘onvoorwaardelijk’ duidt erop dat hier geen relatieve waarden kunnen worden gehanteerd en dat deze vormen categorisch moeten worden verboden.
  2. Werk dat het fysieke, mentale of morele welzijn van een kind in gevaar brengt, als gevolg van de aard van dat werk of van de condities waaronder het wordt uitgevoerd. Wat hieronder valt, moet worden bepaald door nationale overheden en het verbod geldt voor alle kinderen onder de leeftijd van 18 jaar.
  3. Werk dat wordt uitgevoerd door een kind onder de minimumleeftijd vastgesteld voor zulk werk en dat daarom vaak een belemmering vormt voor onderwijs en volledige ontwikkeling van het kind. De minimum-leeftijd voor toelating tot het arbeidsproces mag niet lager zijn dan de leeftijd waarop de schoolplicht wordt voltooid, in de meeste gevallen tenminste 15 jaar. Lichte arbeid van kinderen vanaf 12 jaar die niet schadelijk is voor het kind en die haar of zijn onderwijs niet in de weg staat kan worden toegelaten, echter alleen gedurende een beperkt aantal uren.
  4. Alle werk verricht door kinderen onder de leeftijd van 12 jaar.

Terwijl het IVRK geen details geeft over leeftijdsgrenzen, tijdsbeperkingen of arbeidsomstandigheden, vindt men in de twee ILO-verdragen wel nadere aanwijzingen op deze punten. In summiere vorm komen die erop neer dat ratificerende landen zich verplichten om ervoor te zorgen dat:

Niemand zal, onder welke omstandigheden ook, kinderen onder de leeftijd van 12 jaar te werk stellen of hun arbeidskracht gebruiken. Kinderen tussen de leeftijd van 12 en 14 jaar (of onder de leeftijdgrens van de schoolplicht, of onder de nationale minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces; toepassen welke van deze drie hoger is) mogen slechts betrokken zijn in licht werk dat geen negatieve invloed heeft op hun schoolgang en ontwikkeling. Kinderen en jongeren onder de leeftijd van 18 jaar mogen niet te werk gesteld worden in gevaarlijke beroepen of arbeidsomstandigheden, noch worden blootgesteld aan de onvoorwaardelijke ergste vormen van kinderarbeid.

Het is duidelijk dat de categorie ‘licht werk’ het moeilijkst is te bepalen. Hieronder vallen natuurlijk soorten werk zoals babysitten, kranten bezorgen en bijbaantjes in de levensmiddelenbranche of in de horeca. En in ontwikkelingslanden wordt vaak verwezen naar hulp op of bij de familieboerderij of -bedrijf. In elk geval valt onder licht werk geen enkele activiteit van kinderen die schadelijk kan zijn voor haar of zijn gezondheid of ontwikkeling en die een negatief effect heeft op het onderwijs van het kind, dus in elk geval iedere vorm van gevaarlijk werk.

Er is ook een aanduiding, echter geen precieze bepaling, over het maximum aantal uren per week waarin licht werk door kinderen mag worden verricht. De ILO-verdragen laten het vaststellen van dit maximum over aan nationale overheden, in overleg met representatieve werkgevers- en vakbondsorganisaties. Dit maximum wordt vaak gesteld op twee uur per dag, op school- en vrije dagen, echter niet tijdens vastgestelde schooluren en evenmin op zon- en feestdagen, en niet gedurende de nacht. Bovendien zijn alle vormen van gevaarlijk werk verboden voor kinderen onder de leeftijd van 18 jaar.

Kinderarbeid uitbannen

Een maximum aantal werkuren van twee per dag of veertien per week is door veel recent onderzoek aangewezen als een limiet waarboven negatieve effecten van kinderarbeid zich manifesteren op schoolgang, schoolprestaties en toekomstige kansen en inkomens op de arbeidsmarkt. Uit deze studies blijkt dat er een duidelijk, maar niet in alle landen even sterk, negatief effect is van kinderarbeid op de mogelijkheden voor kinderen om naar school te gaan en op school te blijven. Ook blijkt kinderarbeid schadelijk te zijn voor het leervermogen van kinderen op de duur van de totale schoolgang. En het negatieve effect blijkt ook uit een grotere kans om voor examens te zakken naarmate het aantal werkuren hoger is. Bovendien blijkt dat meisjes meer schade van kinderarbeid ondervinden wat betreft schoolgang en prestaties dan jongens. Daarbij moet worden aangetekend dat de vaak grotere bijdrage van meisjes aan huishoudelijk werk in het eigen gezin, de zogenaamde ‘household chores’, nog niet voldoende is belicht in inter-nationaal onderzoek.

In vele gevallen zal het einddoel, namelijk het uitbannen van alle kinderarbeid behoudens ‘licht en niet gevaarlijk werk voor een beperkt aantal uren en op niet te jonge leeftijd’ slechts kunnen worden bereikt met realistische stappen en maatregelen. En vaak ook met overgangsregelingen zoals financiële steun aan families en tijdelijk ‘niet-formeel’ onderwijs. Dit om te voorkomen dat abrupte en radicale maatregelen net die kinderen en families treffen die de middelen niet hebben om de overgang van werk naar school op te vangen.

Echter, het fundamentele recht van alle kinderen op gratis, verplicht en voltijds onderwijs mag niet uit het oog worden verloren of ingewisseld voor een substituut dat minder bevoorrechte kinderen slechts ‘tweederangs onderwijs’ of ‘tweederangs rechten’ geeft. Om gelijke onderwijsrechten voor alle kinderen te verwezenlijken moeten daarom eerder de genoemde provisorische oplossingen binnen een bepaalde termijn worden opgeschroefd en ingevoegd in het nationale onderwijssysteem. Dat vereist extra steun aan minder bedeelde families, bijvoorbeeld door middel van een voorwaardelijke subsidie (‘conditional cash transfer’) zodat ieder kind naar school kan gaan en daar kan blijven. In verschillende landen, onder andere Brazilië en Mexico, wordt dat al met succes gedaan.

Investeren in ieder kind om onderwijs te genieten en het verbeteren van de inkomens van volwassen familieleden, door actieve armoedebestrijding, zijn de twee belangrijkste structurele oplossingen voor het probleem van kinderarbeid.

Er is de laatste jaren al bescheiden vooruitgang geboekt in de strijd tegen kinderarbeid, in alle werelddelen. En het is zeker niet uitgesloten dat de Millenniumdoelstelling van Onderwijs voor Allen in 2015 (of iets later) kan worden verwezenlijkt. Met de nodige politieke wil en met massieve investeringen in onderwijs liggen beide doelstellingen binnen bereik. Het is onze morele plicht deze unieke kans niet te missen, in het belang van de kinderen van nu, de bouwmeesters van hun en onze toekomst. Goed en gratis onderwijs is een fundamenteel recht van kinderen, en het is ook de beste investering van een samenleving in haar toekomst.

Een zeer recent voorbeeld van de verschillende manieren waarop tegen kinderarbeid wordt aangekeken, is het volgende:

Ban eerst de armoede uit

‘Zolang de armoede niet is uitgebannen, kan geen wet het probleem van de kinderarbeid oplossen’, aldus Dr. Venkat Narayana in zijn onderzoek naar de problemen van kinderarbeid op het platteland van Karnataka in India. ‘Tot het zover is moet de regering gratis gezondheidszorg voor deze kinderen regelen.’

(20 december 2007, zie: Merinews: ‘Child Labour: Eradicate Poverty First’)

Op dezelfde dag ontving ik echter ook het volgende bericht via Google alerts:

Boer staat terecht vanwege kinderarbeid

Johannesburg (Zuid-Afrika) – Een boer uit de provincie Noordwest wordt vervolgd omdat 16 werkende minderjarigen werden aangetroffen op zijn boerderij in Schweizer-Reneke, aldus het Ministerie van Arbeid op dinsdag 18 december 2007. De woordvoeder van het ministerie, Zolisa Sigabi, zei dat de boer zal worden vervolgd wegens overtreding van de wet die de indienstneming van minderjarige kinderen verbiedt. Toen arbeidsinspecteurs het gebied onderzochten ontdekten ze dat hij zestien minderjarigen als arbeider gebruikte. De jongste was elf jaar oud. “Ze moesten 50 kilo zware zakken kunstmest op hun hoofd dragen en ploegen.” Sigabi riep ouders op om hun kinderen te beschermen en alle gevallen van uitbuiting aan het ministerie te melden.

Uit: The Star 18 december 2007

Frans Röselaers (1946), is de voormalig directeur van het Internationale Programma voor Bestrijding van Kinderarbeid, Internationale Arbeids Organisatie in Genève (ILO, een agentschap van de Verenigde Naties). sinds 2005 werkt hij bij de ILO als fundraiser.