‘Wij zijn de grootste uithuisplaatser van Europa’

Professor Jeugdbeleid René Clarijs vindt dat de Nederlandse jeugdzorg moet leren van andere landen: ‘Het grootste probleem van de Jeugdwet is dat het geen jeugdwet is.’

 

Hoe kijkt u aan tegen de decentralisatie van de jeugdzorg naar de gemeenten?

‘Dat is een vrij nodeloze operatie geweest. Er was onvrede over de effectiviteit van de jeugdzorg en dan is het in de politiek een gebruikelijke ontsnappingsroute om de jeugdzorg naar een andere overheidslaag over te brengen. En elke keer is daar dan weer onvrede over, ook nu weer. Het uitgangspunt was dat de jeugdzorg bij de gemeenten beter en goedkoper zou worden. Van beide is niets terechtgekomen. Politici zeiden voortdurend: wij geloven dat het beter is. Nu is ‘in iets geloven’ niet het sterkste fundament om nieuw beleid op te bouwen.

Het is in Nederland ook nooit uitgeprobeerd en er is nooit gekeken hoe het buitenland de decentralisaties heeft aangepakt. Denemarken werd altijd geroemd als voorbeeld, maar daar hebben ze eerst tien jaar de tijd genomen om gemeenten van ten minste 100 duizend inwoners te vormen, zodat deze voldoende financiële en organisatorische slagkracht hadden om de zorgtaken uit te kunnen voeren. Vervolgens worden de gemeenten daar door het Rijk nog tien jaar lang financieel en anderszins gesteund.’

‘Hier viel het definitieve politieke besluit om te decentraliseren in februari 2014 en moesten gemeenten het per 1 januari 2015 helemaal zelf doen. Zonder de benodigde expertise en met 15 procent minder middelen, want bezuinigen bleek het belangrijkste motief voor de decentralisatie. Het moest snel en goedkoop. Dan weet je van tevoren dat het niet goed kan gaan. Deze keuze is zeer bewust door de politiek gemaakt.’

René Clarijs promoveerde op een studie naar de mogelijkheden om de Nederlandse jeugdzorg te verbeteren en is als hoogleraar verbonden aan de RANEPA Universiteit in het Russische Sint-Petersburg. Foto: Still uit René Clarijs Ondernemend Leiderschap.

Wat is er volgens u mis met de Jeugdwet?

‘Het grootste probleem van de Jeugdwet is dat het geen jeugdwet is. In Nederland hebben we de Jeugdwet beperkt tot kinderen en jongeren die met jeugdzorg te maken hebben. Dat zie je al meteen aan de inhoudsopgave: het gaat alleen maar over problemen. Dat is merkwaardig, want dat betekent dat we een heel groot deel van de kinderen en jongeren niet meenemen in het beleid. Daar doen onze overheden weinig tot niets voor. In Nederland is jeugdbeleid jeugdzorgbeleid.’

‘Het gevolg is dat kwetsbare kinderen waar op zich nog niets mee aan de hand is, toch te vaak in de jeugdzorg belanden. Onze cijfers zijn onthutsend. 1 op de 7 kinderen heeft te maken met jeugdzorg en/of speciaal onderwijs (dat was 20 jaar geleden 1 op de 27) en wij zijn de grootste uithuisplaatser van Europa.’

Hoe verklaart u het hoge aantal uithuisplaatsingen in Nederland?

‘Van oudsher halen we hier kinderen heel snel uit hun thuissituatie wanneer zich misstanden binnen het gezin voordoen. Dat is nog eens versterkt door de Jeugdwet waarin staat dat de hulpverlener persoonlijk aansprakelijk is voor wat er met de cliënt gebeurt – eerder was dat de instelling. Wat je nu ziet, is dat ­ de hulpverlener bij vermoeden van gevaar voor het kind het zekere voor het onzekere neemt en het uit huis plaatst. Om niet het risico te lopen zelf vervolgd te worden. Misschien is dat begrijpelijk, maar het betekent wel dat het aantal uithuisplaatsingen sinds 2015 aanzienlijk is toegenomen. En dan te bedenken dat volgens het Verwey-Jonker Instituut 1 op de 3 kinderen onterecht in de jeugdzorg verblijft.’

Wat doen ze in het buitenland anders?

‘In andere landen wordt bij ernstige misstanden in een gezin bijvoorbeeld niet het kind maar de vader uit huis geplaatst, als hij de oorzaak is. Neem Wit-Rusland. Niet bepaald een land om te verdedigen, maar daar heeft iedere gemeente doorlopend een aantal flats beschikbaar voor vaders die zich thuis seksueel of anderszins misdragen. Zij worden uit het gezin gehaald. Ook moeten de grotere werkgevers een aantal arbeidsplaatsen vrij houden voor dit soort gevallen. Daar worden zij te werk gesteld en ondertussen sociaal-psychologisch begeleid. Na een half jaar komt dan de vraag of de vader terug mag naar zijn gezin. En wie beslist daarover? Niet de professionals, maar de moeder en haar kinderen. Hier geloven wij heilig in de kracht van professionaliteit, in andere landen geloven ze meer in de kracht van mensen zelf.’

In België investeert de overheid flink in scouting, omdat veel jongeren daar hun vrije tijd aan besteden. Foto: Joost van den Broek / ANP©.

Hoe zou het jeugdstelsel wat u betreft veranderd moeten worden?

‘Als eerste moet de balans terug­komen, dus niet langer alle aandacht naar de achterkant van het stelsel, naar de jeugdzorg. 87 procent van het geld voor jeugd gaat nu naar specialistische zorg. Dat is buitengewoon onverstandig en het kan anders. Er moet veel meer aandacht komen voor de voorkant van het stelsel. Dus voor de vrije tijd van jeugd waar organi­saties als sportclubs, cultuurvereni­gingen en scouting actief zijn. Als je daarin investeert met een pedago­gische steunstructuur, kunnen op termijn de kosten voor jeugdzorg enorm worden teruggedrongen.’

‘In de andere Europese landen hebben ze dat beter begrepen dan wij. Overheden investeren daar vooral in vrijetijdsorganisaties, want zij gaan ervan uit dat je in je vrije tijd ook dingen leert. Dat wordt het niet-­for­mele leren genoemd – het is de focus van hun jeugdbeleid en dat van de EU, de Raad van Europa en de VN. Kinderen en jongeren kunnen er dagelijks kiezen uit honderden verschillende activiteiten op het gebied van sport, muziek, theater, toerisme, natuur en milieu, ICT, dans, enzovoort. In Oost-Europa heb je bijvoorbeeld jeugdpaleizen, vaak gehuisvest in de mooiste gebouwen van de stad. Het Palace of Young Creativity in Sint-Petersburg zit bijvoorbeeld in het paleis van de laatste tsaar, Nicolaas de Tweede, en werd door Lenin in 1917 geschonken aan de jeugd van Sint-Petersburg. In Nederland moeten jongeren het vaak doen met aftandse jeugdhonken die het liefst een beetje buiten de bewoonde wereld liggen want dan veroorzaakt de jeugd de minste overlast.’

Wat is het doel van het jeugdbeleid van andere Europese landen?

‘Inclusie is het hoofddoel. Dat betekent dat je kinderen niet loslaat. Wanneer zij problemen hebben of veroorzaken, zet je alles op alles om ze er toch bij te houden. Een bijzonder aspect van hun jeugdbeleid is dat zij verlichting als uitgangspunt hebben en niet verdichting, zoals wij. Wij zetten jongeren met dezelfde problematiek in een instelling bij elkaar, zij laten in een zekere verhouding jongeren met en zonder problemen hun vrijetijdsactiviteiten samen doen. Zo was ik laatst in Krakau bij een toneelvoorstelling van kinderen met een geestelijke beperking. In de zaal zaten allemaal kinderen waar niets mee aan de hand was. Bij de kinderen op het toneel lukte niet zoveel, maar dat maakte niet uit, want elke keer sprong er een kind uit de zaal op het toneel om te helpen. Iedereen had plezier. Dan denk ik: dit is inclusie. Je accepteert gewoon de ander zoals die is. Daar kunnen wij met ons jeugdbeleid nog een hoop van leren.’