opinie
Eric Smaling:

'Expertise op het gebied van voedselzekerheid'

Voedselzekerheid is een speerpunt in het beleid van staatssecretaris Knapen. Iedereen roept in koor dat Nederland de wereld iets te bieden heeft op dit terrein. Maar is dat ook zo? En sluit ons aanbod aan op de vraag uit ontwikkelingslanden? Eric Smaling, hoogleraar duurzame landbouw en directeur ontwikkelingsbeleid van het Koninklijk Instituut voor de Tropen, geeft antwoord.

Nederland heeft het thema ‘voedselzekerheid’ hoog op de ontwikkelingsagenda gezet. Het is terug van weggeweest, waarbij Wereldbank en IMF sturend zijn geweest, zowel bij het verdwijnen als bij de wederopstanding van dit thema. Structurele aanpassing in de jaren 80 en 90 leidde tot verwaarlozing van de sector, het World Development Report van 2008 was een soort verkapte mea culpa, waarna de opmars weer begon. Een dwingende reden voor het kabinet om landbouw en voedsel weer terug te halen is het feit dat we veel kennis van zaken hebben op deze terreinen. Dat is ook zo. Maar is het aanbod wel afgestemd op de vraag?

Veelkleurig aanbod

Het aanbod is veelkleurig. In Nederland is het ketendenken verregaand geïnstitutionaliseerd. Het is al lang niet meer de boer die voortploegt. Toeleveranciers, verwerkers, retailers: zij zijn allemaal verknoopt met elkaar, met de producent en met de consument. Hoewel er allerlei weeffouten in zitten op het gebied van prijsvorming en mate van organisatie en de consument wel op een erg hoog voetstuk wordt geplaatst, vormt het een aansprekend model.

In ontwikkelingslanden kan het denken in ketens de sector enorm oppeppen, want het stelt in staat om zwakke plekken te identificeren. Blijven spullen te lang in de haven liggen of wordt de haven geteisterd door corruptie? Is het transport niet onnodig duur doordat er bijvoorbeeld te weinig concurrentie is of omdat de wegen niet worden onderhouden? Kan de boer geen krediet krijgen of komt al het werk weer neer op de vrouw? Weet hij of zij de markt niet te vinden door gebrek aan kennis of informatie? Is die markt wel zichtbaar genoeg? Is er voldoende marge voor agro-dealers? Welke investeringen zijn nodig? Welke sms-diensten zouden er moeten zijn? Hoe kan de boer zijn thee inleveren en een simpel papieren bewijs krijgen in plaats van steeds met cash in de weer te moeten zijn? Dit is een echte kracht van Nederland en er is ook behoefte aan. En het hoeft niet per se op grote internationale ketens betrekking te hebben.

Tussen de oren zitten

Bedrijven zouden meer werk kunnen maken van inclusive business development. Het maatschappelijk verantwoord ondernemen begint wel aardig tussen de oren te zitten bij de private sector, maar het staat natuurlijk pas echt mooi wanneer je zoveel mogelijk werknemers een boterham aan kan laten verdienen. Zo zie je in Mozambique een sterke toename van de investeringen en economische groei, maar er is amper sprake van pro poor growth. Kortom, de winsten vloeien in slechts enkele zakken en daarbij komen nog allerlei afgedwongen belastingvoordelen voor de bedrijven, waardoor de overheid de burger minder diensten kan leveren.

Op het punt van verduurzaming worden ook slagen gemaakt. De cacao-industrie is een goed voorbeeld. Het Initiatief Duurzame Handel kan een katalysator zijn om meer bedrijven tot duurzame prestaties aan te zetten. Het gaat dan dus niet alleen om ecologische, maar ook om sociale duurzaamheid. Al met al is het een enorme uitdaging voor het bedrijfsleven. Wat de aanbodzijde betreft is ook nog van belang welk type private sector een nuttige bijdrage kan leveren. De multinationals vinden hun weg wel, maar het MKB is geschikter om allianties met kleinere ondernemingen in ontwikkelingslanden op te zetten. De vraag is of we daar klaar voor zijn. Voor banken geldt dezelfde uitdaging: hoe kun je het verschil maken op het gebied van rural banking? Wanneer zal een ontwikkelingsland openlijk pronken met onze banken of hun dochters, omdat ze creatieve manieren hebben gevonden om bijvoorbeeld vrouwen te laten investeren? Microkrediet is overal natuurlijk, maar is dat een Nederlandse sterkte?

Eeuwig trots

Op het terrein van hoger onderwijs heeft Nederland natuurlijk ook een hoop te bieden. Wageningen is als universiteit en onderzoekscentrum op het terrein van landbouw en voeding een begrip in ontwikkelingslanden. Ook andere kennisinstellingen hebben flink bijgedragen. Het zou aardig zijn een beeld te hebben waar iedereen terecht is gekomen. Ik blijf eeuwig trots op mijn promovendus die het tot minister van landbouw heeft geschopt in Burkina Faso, maar waar zijn de anderen?

En daar is nog wel een slag te maken. Er zit nog een flink gat tussen de aangeboden (academische) kennis in reguliere of ad-hoc cursussen en de praktijksituatie waar veel alumni in terecht komen. Daar zit je met al je kennis als District Agricultural Officer of beginnend ondernemer van een paprikabedrijfje. De vaardigheden die je dan nodig hebt zijn meestal niet in het curriculum van de opleiding opgenomen.

Vraagzijde

Aan de vraagzijde speelt heel nadrukkelijk de toename van droogtes, overstromingen, sprinkhanenplagen, voedselvoorziening in vluchtelingenkampen en fragiele staten. Daar wordt door het Wereldvoedselprogramma wel op ingespeeld, maar Nederland zou daar meer capaciteit op kunnen ontwikkelen. Of het klimaat op de langere termijn nu verandert of niet, er is een toename van extreme events. Dat vraagt om het goed in beeld hebben van gebieden met tekorten en die met overschotten.

Het vergt veel van infrastructuur, early warning, logistiek om snel te kunnen schakelen tussen dergelijke gebieden, maar het is wel een geweldige uitdaging. Kortom, we doen vrij weinig aan het ontwikkelen van vangnetten. Ook schoolfeeding programma’s hebben een vangnetfunctie. In Ghana heeft Nederland daar interessante ervaringen mee opgedaan. Er zitten natuurlijk allerlei haken en ogen aan, maar het verdient aanbeveling dit breder uit te rollen.

Voedsel en mensenrechten

Terreinen waar vraag en aanbod beter in beeld gebracht moeten liggen in de sfeer van beleid en mensenrechten. Voedsel is uitermate strategisch. De reacties na de prijsstijgingen van 2008 spraken boekdelen, de Arabische lente is voor een deel toe te schrijven aan hoge voedselprijzen en die waren voor een deel weer het gevolg van de branden en exportrestricties in Rusland en Oekraïne. Wat is dan een goed landbouw- en voedselbeleid? Ons aanbod op dit terrein springt er niet uit.

Qua rechten gaat het om vrouwen, om landeigendomskwesties, maar ook om de samenhang tussen voedsel, water en gezondheid. Met een systeemgerichte aanpak (zijn we goed in) kun je landbouw, voedingskwaliteit, drinkwater, sanitatie en “goed gedrag” dichter bij elkaar brengen (koken, handen wassen, latrines, evenwichtige voeding tijdens zwangerschap en voor het jonge kind). We hebben weliswaar naam op het gebied van gender, maar de kennis op dit terrein lijkt thans wat minder groot dan wenselijk. Het goed regelen van landeigendom is een conditio sine qua non om de productie op het gewenste niveau te krijgen. Ook hier weten we het nodige van, maar maken we als Nederland het verschil?

We hebben in het verleden veel landbouwprojecten uitgevoerd in diverse ontwikkelingslanden. Die hebben lang niet altijd het verwachte resultaat opgeleverd en dat kwam altijd doordat we uiteindelijk de lokale omstandigheden niet goed genoeg begrepen. De hypotheses onder projecten waren vaak te kortzichtig, en gingen bijvoorbeeld uit van het idee dat de boer altijd meer zal willen produceren. We zijn nu beter in staat deze fouten te vermijden, maar het grootste risico is nog steeds dat we denken alles te begrijpen en te doorgronden. En dat zal nooit helemaal het geval zijn.

Sinds begin dit jaar is Eric Smaling directeur ontwikkelingsbeleid bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT). Daarnaast is hij hoogleraar duurzame landbouw aan de Universiteit Twente en Eerste-Kamerlid voor de Socialistische Partij. Smaling is bestuurslid van de WOTRO, afdeling voor wetenschappelijk onderzoek van de NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) op het gebied van ontwikkeling.

Betrokken SP'ers