Noud Roelen: 'Het hele systeem moet op de schop'

Zoveel miljarden extra naar het onderwijs, maar wat levert het nou op? Precies het tegenovergestelde van wat we wilden bereiken, zegt Noud Roelen. Hij baarde opzien met zijn prijswinnende onderzoeksvoorstel voor Follow The Money.

Tekst: Rob Janssen; foto's: Maurits Gemmink

Het gebeurde een jaar of tien geleden. Noud Roelen zat in de trein van Den Bosch naar Utrecht en toen die over de Waalbrug bij Zaltbommel denderde, kreeg hij ineens een ingeving. Hij glimlacht als hij eraan terugdenkt: ‘Ik dacht: hé, leraar worden, zou dat wat zijn? Het idee liet me niet meer los. Ja, het voelt wel als een soort roeping. Het is dan ook een fantastisch vak. Geweldig gewoon.’ Het is duidelijk: hij is dol op zijn vak. Misschien wel juist daarom voelde hij zich eind vorig jaar geroepen om mee te doen aan de prijsvraag die Follow The Money (FTM), een gerenommeerd platform voor onderzoeksjournalistiek, had uitgeschreven: de Follow The Money Onderwijs Pitch.

‘FTM zei: We gaan een onderzoek doen naar de geldstromen in het onderwijs en kom maar met ideeën. Ik leverde mijn idee aan over de lumpsum-financiering van het onderwijs in Nederland. Tot mijn verbazing kreeg ik bericht: Je mag je idee komen pitchen. Dat deed ik, met twee andere kandidaten. Opnieuw tot mijn verbazing won ik. Dus FTM gaat nu onderzoek doen naar die lumpsum-financiering.’

Noud Roelen op zijn school in Wageningen.

Lumpsum is een nogal lomp klinkende term die aangeeft dat het om een betaling gaat die in één keer wordt gedaan en niet in delen. In Nederland wordt op die manier het onderwijs gefinancierd. Roelen: ‘Ik heb wel tegen FTM gezegd: ga niet alleen onderzoek doen naar die lumpsum, maar ga ook kijken naar de alternatieven voor deze financiering. Want voor mij is helder: niet óf er een nieuw financieringsmodel moet komen maar dát het er moet komen. Kijk, die lumpsum-financiering is ontstaan toen in de jaren tachtig de overheidsfinanciën helemaal uit de klauwen begonnen te lopen. Toen was onderwijs een enorme post op de begroting en de overheid wilde controle krijgen. Gekozen werd voor de lumpsum-financiering, wat eigenlijk betekende dat schoolbesturen een zak met geld kregen, een zak geld die afhankelijk is van het aantal leerlingen dat je hebt. Waarmee de overheid van haar kostenprobleem af was. Want je kon gaan budgetteren, het werd veel voorspelbaarder voor de overheid. De begroting kon sluitend gemaakt worden. Daardoor werden de schoolbesturen als het ware eigenaar van het onderwijs. Ik denk dat je kunt stellen dat het onderwijs toen feitelijk is geprivatiseerd.’

Schaalvergroting

De woorden ‘eigenaar’ en ‘geprivatiseerd’ spreekt hij met extra klemtoon uit. ‘Het onderwijs is toen volledig op afstand geplaatst van de overheid. De schoolbesturen kunnen met die zak geld feitelijk doen en laten wat ze willen; ze kunnen er salarissen van betalen, ze moeten er leermiddelen van betalen, ze moeten er – zeker in het hoger onderwijs – de schoolgebouwen van betalen. Allemaal van die afgebakende zak met geld. Schoolbesturen hebben enorme machtsposities gekregen, soms gaan ze over honderden miljoenen euro’s. Niet zelden zijn ze gigantische koepels van scholen. En: sinds de lumpsum zien we een enorme neiging tot schaalvergroting. Meer leerlingen, want dan haal je meer geld binnen. Je ziet het heel duidelijk bij de MBO’s: dat zijn enorme leerfabrieken, er gaan tienduizenden leerlingen doorheen in enorme gebouwen. Kleinschaligheid is ver te zoeken. Ik vind het dan niet gek dat de uitval op het MBO ontzettend hoog is. Als jij als zestienjarige van de MAVO af komt en je komt dan terecht op zo’n enorme anonieme leerfabriek…’

‘Het tweede probleem is dat door die lumpsum-financiering de leraar een kostenpost wordt. Het salaris van een leraar gaat concurreren met de bankjes, stoelen en de computers die betaald moeten worden. Dus als het schoolbestuur zijn eigen begroting sluitend wil krijgen en met de hoge kosten opgezadeld zit, dan kunnen ze één ding doen: kosten reduceren door te snijden in lerarensalarissen. Want die bankjes en stoelen heb je toch nodig; de leerlingen moeten ergens op zitten.’

En waar leidt dat alles toe? De feiten en cijfers liegen er niet om: ‘Uit onderzoek blijkt dat in de lumpsum-periode de Rijksbegroting voor onderwijs is verdrievoudigd. Er gaat gigantisch veel geld naar onderwijs en er wordt steeds maar weer meer geld in het onderwijs gepompt. Maar wat je ziet is dat de resultaten steeds het tegenovergestelde zijn van de bedoeling. Een schitterend – ik zeg het met ironie – voorbeeld: in de periode 1998-2012 ging er jaarlijks 1,4 miljard extra naar onderwijs. Er is onderzoek verricht naar het effect daarvan. Wat blijkt? Het aantal docenten daalde met zes procent. De klassen waren groter geworden: de groepsgrootte nam toe met acht procent. En de reële salarissen daalden in die periode met twee procent. Dus je ziet met die lumpsum: er wordt heel veel geld ingepompt, ook met allerlei subsidies, allerlei incidenteel geld. Maar het onderwijs wordt er niet beter van. Tijdens corona werd er achtenhalf miljard euro in het onderwijs gestopt. Waarvoor precies? Geen idee!’

Functioneel analfabeet

Wanneer we komen te spreken over de leerlingen – om wie het uiteindelijk allemaal te doen is – zoekt Noud Roelen soms naar woorden, excuseert zich voor sommige uitdrukkingen en herhaalt zinsneden die hij stevig wil benadrukken. ‘Het gaat verschrikkelijk slecht met het onderwijs. Ik zou graag zeggen dat het anders was. In december werd het Pisa-onderzoek gepubliceerd. (Pisa is het Programme for International Student Assessment, dat onderzoek doet naar de basisvaardigheden van 15-jarigen in ruim honderd landen – red.) Wat blijkt: in Nederland is een derde – één dérde! – van de vijftienjarigen functioneel analfabeet. Je kunt dan wel lezen en schrijven, maar niet goed genoeg om de gebruiksaanwijzing van een koelkast te begrijpen, een brief van de gemeente te snappen of een krantenartikel te lezen. Volgens mij kan niet vaak genoeg benadrukt worden hoe verschrikkelijk dit is!’

‘Dat komt dan even in het nieuws, mensen hebben het er een dag over en daarna is het oorverdovend stil. Terwijl dit voldoende reden zou moeten zijn om alle schoolbesturen op het matje te roepen, desnoods om een parlementaire enquête te houden. Dit zou de noodtoestand moeten opleveren in het onderwijs! Een derde van de leerlingen kan niet voldoende lezen om mee te kunnen in de samenleving! Ter illustratie: in 2000 was het nog tien procent, in 2006 veertien, in 2018 drieëntwintig en nu drieëndertig procent! Sinds de invoering van de lumpsum neemt dit enorm toe. Het is een nationale ramp. Ik kan hier zó woest om worden.’

‘Voor mij is onderwijs – zeker basis en middelbaar – bedoeld voor algemene vorming. Op de basis- en middelbare school leer je de basis en vorm je je tot burger, waardoor je mee kan in de samenleving. Maar op het moment dat dat wegvalt – wat nu dus gaande is – dan sla je enorme kloven in de samenleving. En dat zie je nu gebeuren. We begrijpen elkaar niet meer, verstaan elkaar niet meer – vaak genoeg létterlijk. En nu zie je dat kinderen steeds minder leren op school. En dus wordt wat ze thuis leren steeds belangrijker. Kinderen van rijke en hoogopgeleide ouders krijgen heel veel mee vanuit huis – zo niet, dan kopen mama en papa er wel bijles bij. De andere kinderen krijgen die bagage niet vanuit huis mee, hun ouders kunnen die bijles niet betalen. Dus: waar onderwijs bedoeld is om dichter bij elkaar te komen, drijft het nu mensen verder uit elkaar. Dat is verschrikkelijk. De hele samenhang in onze samenleving wordt onderuit gehaald.’

Struikelen

Hoe merkt hij die moeite met lezen en schrijven bij kinderen als hij voor de klas staat? ‘Luister, ik geef les van VMBO 2 tot VWO 6. Mijn oma heeft alleen de basisschool gedaan, maar die schrijft nettere brieven, qua handschrift én taal, dan de gemiddelde 6-VWO’er. Dus dat is één ding: de kwaliteit van het Nederlands. Wat ik ook vaak zie is dat je in toetsvragen gecombineerde vraagstellingen hebt, bijvoorbeeld: Leg uit wat een bepaald begrip betekent en verbind dat aan de tekst. Dan raken veel leerlingen helemaal in de war. Dat ze twee dingen in één vraag moeten doen, dat vinden ze heel moeilijk. Maar wat ik ook merk is moeite met woorden met meerdere lettergrepen, bijvoorbeeld ‘geïndustrialiseerd’ – dat zijn zeven lettergrepen. Leerlingen struikelen al over woorden met meer dan drie lettergrepen.’

‘Ik moet ook kritisch zijn op mijn beroepsgroep, opnieuw met pijn in mijn hart. Ik zie dat de kwaliteit van de leraar aan het afnemen is. Want wat gebeurt er? De toelatingseisen op de lerarenopleidingen worden steeds maar verlaagd. Veertig jaar onderwijsbeleid laat ook zien: totale uitholling van het beroep van leraar. Dat heeft ook te maken met salaris, ook daar moeten we ook eerlijk in zijn. Ik bedoel, ik heb een prima salaris hoor. Maar met mijn universitaire diploma’s had ik in het bedrijfsleven een veelvoud kunnen verdienen. En voor een beroep waarvan we met elkaar vinden dat het heel belangrijk is, is beloning ook belangrijk, laten we daar eerlijk over zijn. Vroeger was een docent een meester, die wist enorm veel en stond duidelijk boven de leerlingen. Maar die leraren worden schaars. Dat komt omdat die toelatingseisen zo zijn versoepeld. De lat moet veel hoger liggen! Dus niet alleen voor de leerlingen, maar ook voor de leraren.’

‘Het lastige daarbij is: de beroepsgroep is heel erg verdeeld. Chirurgen zullen het eens zijn over hoe een goede operatie eruit moet zien. Maar vraag aan een groep leraren hoe het onder-wijs eruit moet zien en het wordt een ingewikkeld verhaal. Dat komt ook door die lumpsum, er is geen enkele grip op. Ik bedoel, ga naar een lerarenopleiding in Nijmegen, in Maastricht, in Middelburg... Overal verschillende opvattingen over het vak. Waarom? Omdat de overheid geen enkele grip of regie heeft over wat het is om goede leraren op te leiden. Dat komt door die financiering.’

‘Voor mij staat vast: we kunnen allerlei dingen willen, extra geld voor onderwijs, het beroep van leraar aantrekkelijker maken, noem het maar op. Maar het zijn allemaal lapmiddelen. Het is geld gooien in een bodemloze put. Het hele systeem moet op de schop. De lumpsum moet eruit, de overheid moet de regie pakken. Geld is het probleem helemaal niet!’

Noud Roelen (32) studeerde studeerde politieke wetenschappen, filosofie en religieuze wetenschappen in Nijmegen. Hij geeft filosofie en maatschappijleer op de middelbare scholengemeenschap Pantarijn in Wageningen en woont in Arnhem. In die stad is hij tevens SP-raadslid en afdelingsvoorzitter.