Vermogens in Nederland zijn gelijker geworden, maar dat is vrijwel geheel veroorzaakt door de stijging van de waarde van de eigen woning en door uitgesteld inkomen (pensioen). Wie kijkt naar vermogen dat direct invloed geeft in onze economie, ziet iets heel anders. In 2006 bezat de rijkste 10 procent 71,7 procent van het totale vermogen, in 2023 is dat gegroeid naar 77,1 procent. Dat komt grotendeels door de groei van de waarde van het aanmerkelijk belang, dat maar liefst voor 95,9 procent (501,9 miljard euro) in handen is van de rijkste 10 procent huishoudens.
Degenen met vermogen krijgen een steeds groter deel van de opbrengst van de Nederlandse economie. Dat is te zien aan de dalende AIQ (arbeidsinkomensquote, waarbij een lagere waarde betekent dat de factor arbeid een kleiner deel krijgt), maar eigenlijk is dit cijfer niet precies genoeg. Door de kosten van reproductie van kapitaal (afschrijven) wel van de opbrengst af te trekken, maar de kosten van reproductie van arbeid niet, wordt het cijfer artificieel hoog gepresenteerd. Wanneer je de opbrengsten voor arbeid en kapitaal wel op vergelijkbare manier behandeld en daarmee een nieuwe waarde berekent, de zogenaamde WerkWaarderingsWaarde, dan zie je dat dit percentage is afgenomen van 68,8 procent in 1995, naar 60,0 procent in 2023. Kort samengevat toont dit aan dat de waardering voor werken flink is afgenomen.
De overheid corrigeert deze ontwikkeling niet. Belasting op vermogen speelt een steeds kleinere rol in de overheidsinkomsten, en met enige regelmaat zijn er ontwikkelingen die de capaciteit om vermogensongelijkheid met belastingen te verkleinen verder laten afnemen. Het Kerst-arrest van de Hoge Raad, waarbij een hoogst riskante belastingheffingsstrategie definitief werd afgeschoten, heeft de vermogensbelasting voor een belangrijk deel stilgelegd. Een dergelijke belastingvakantie voor werkenden is ondenkbaar. Ook andere regelingen, zoals de bedrijfsopvolgingsregeling en de familiestichtingen, bieden de vermogenden alle ruimte om hun vermogen veilig te stellen.
Verenigen van de werkende klasse
Socioloog Dan Evans omschrijft hoe de bezittende klasse erin slaagt grote delen van de werkende klasse aan zich te binden. Met name de kleine zelfstandigen, dus de boeren, winkeliers en andere ondernemers, worden succesvol tegen andere werkenden uitgespeeld. Evans: ‘Ze hebben zulke sterke meningen over dingen zoals de staat, overheidsbureaucratie, maar ook monopoliekapitaal. En dan is er ook nog de manier waarop ze de arbeidersklasse zien, als profiteurs en dergelijke. Dit kleinburgerlijke wereldbeeld of ‘Weltanschauung’ is ontzettend dominant in de moderne politiek in heel Europa.’ Aan de hand van de politieke dominantie van het wereldbeeld van deze groep legt Evans treffend uit waarom juist radicaal-rechtse partijen in het hele westen zo veel electoraal succes hebben.
Met dit rapport wil het wetenschappelijk bureau van de SP diegenen inspireren die willen bijdragen aan het verenigen van de werkende klasse. Het is tijd voor een sociaal alternatief, dat geen van deze groepen laat vallen, maar hen juist verbindt ten opzichte van de bezittende klasse. Dat is niet eenvoudig. De interviews in het rapport zijn een goed begin voor iedereen die deze handschoen willen oppakken.
