NU IS DE TIJD! Sympathiseer je met de SP? Lid worden is nog veel beter en kan al voor vijf euro per kwartaal. Mee denken, mee doen, mee winnen. Je ontvangt het boek ‘Hoe dan Jan?’ en het SP-nieuwsblad de Tribune. Steun de SP en sluit je nu aan!
van
apart
naar samen
Deltaplan
voor een geïntegreerde samenleving
Dit deltaplan is ook als PDF-bestand beschikbaar
Door falend beleid van opeenvolgende regeringen loopt de integratie van groepen allochtonen in de Nederlandse samenleving vast. Er ontstaat een nieuwe apartheid, die de tweedeling op veel terreinen aanwakkert en de solidariteit ernstig aanvreet. Er dient een parlementaire onderzoek te komen om uit te zoeken hoe het zo fout kon lopen. Om de solidariteit tussen mensen en groepen mensen niet nog verder aan te tasten is het noodzakelijk meteen te beginnen met maatregelen die de stokkende integratie van groepen allochtonen weer op gang brengen. Een meer evenredige verdeling van allochtonen en autochtonen, zowel bij wonen als bij leren en werken is daarvoor nodig. Het argument dat wat in enkele decennia scheefgegroeid is niet in enkele jaren hersteld kan worden is juist - maar mag volstrekt geen excuus vormen voor het nalaten van deze resolute koerswending. Vanaf nu moet in alle beleid het bevorderen van integratie voorop staan. Alleen dan kunnen we het doodlopende spoor waarop we nu zitten verlaten. De vijf hoofdlijnen van een verder te ontwikkelen Deltaplan voor een geïntegreerde samenleving zijn: samen de werkelijkheid onder ogen zien, samen kiezen, samen leren, samen wonen, samen leven.
Van oudsher is Nederland een land dat om tal van redenen aantrekkingskracht
op mensen in andere landen uitoefent: vanwege de economische mogelijkheden,
vanwege de stabiliteit, vanwege de bescherming die er gevonden kan worden.
Wie de namen in het telefoonboek bekijkt ziet een samenvatting van deze
eeuwenlange vestigingen langskomen. Voor veel van die 'nieuwkomers' uit
het verleden is de allochtone herkomst doorgaans nog slechts een al dan
niet gekoesterde herinnering. Voor alles zijn het 'gewone' Nederlanders.
En dat is een buitengewoon goede zaak.
Het aantal inwoners van ons land met buitenlandse wortels is de afgelopen
decennia sterk gegroeid. Het is van groot belang dat ook zij, zo snel
als mogelijk is, inburgeren. Dat is nodig voor hen én voor de samenleving
in zijn geheel. Inburgeren is een noodzakelijk proces voor een geïntegreerde
samenleving. Een geïntegreerde samenleving is een noodzakelijke voorwaarde
voor een solidaire samenleving. Stokt de integratie dan komt de basis
van de solidaire samenleving in gevaar.
De bemoeienis van de Nederlandse overheid met arbeidsmigranten die in de loop van de jaren zestig uit eigen initiatief, of door het bedrijfsleven naar Nederland zijn gehaald, bleef beperkt tot het regulieren van de instroom. De opvang en begeleiding werden overgelaten aan het bedrijfsleven en het particuliere initiatief. De meeste ondernemers ontliepen hun verantwoordelijkheid. Zij hadden handen gekocht en mensen erbij gekregen - maar daarin waren ze niet geïnteresseerd. De opvang van een Turkse migrant uit Izmir of van een Marokkaanse gezin, kersvers aangekomen uit Nador, werd overgelaten aan hun landgenoten die zich eerder in Nederland hadden gevestigd. Steun daarbij kregen de nieuwkomers van meelevende buren en anderen, die hen leerden hoe het leven in Nederland in elkaar steekt en hoe die ingewikkelde Nederlandse taal gebruikt moet worden. De dadenloosheid van de overheid steekt daar schraal en schril af. Er is in de eerste jaren vrijwel niets gedaan door de overheid aan de opvang en integratie van de gastarbeiders. Signalen uit de samenleving die aangaven dat daarmee problemen voor de toekomst werden geschapen, werden ontkend of gesust met relativerende studies en rapporten.
De bezettingsacties en treinkapingen van de Molukse jongeren in de tweede helft van de jaren zeventig brachten enige verandering in deze passieve houding van de overheid. Bij de behandeling van de regeringsnota over de problematiek van de Molukse minderheid in Nederland, drong het parlement aan op een gecoördineerd minderhedenbeleid, ook voor andere minderheidsgroepen. In 1979 adviseerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid de regering de gedachte van een tijdelijk verblijf van migranten in Nederland los te laten en een samenhangend geïntensiveerd beleid te ontwikkelen, gericht op gelijkwaardige deelname van minderheden aan de Nederlandse samenleving. Dat was het begin van een minderhedenbeleid gecoördineerd door de minister van binnenlandse zaken. In 1981 kwam het ministerie van Binnenlandse Zaken met een minderhedennota met als doel: het bevorderen van de totstandkoming van een samenleving waarin de in Nederland verblijvende leden van minderheidsgroepen ieder afzonderlijk en als groep een gelijkwaardige plaats en volwaardige ontplooiingskansen hebben. Met het benadrukken dat 'behoud van eigen taal en cultuur' belangrijk onderdeel van het beleid diende te zijn, illustreerde de overheid dat volledige integratie in de samenleving niet als wenselijk of haalbaar werd gezien. In 1987 vroeg de regering opnieuw advies aan de WRR over het te voeren minderhedenbeleid. De reden daarvoor was de constatering dat ondanks de vaststelling dat veel migranten niet meer weg zouden gaan en dus onderdeel van de Nederlandse samenleving waren, er op tal van terreinen, waaronder huisvesting, onderwijs en werkgelegenheid, erg weinig vorderingen werden geboekt. In1989 adviseerde de WRR de regering het accent te verleggen naar een goed opvangbeleid van nieuwe immigranten en forse investeringen van het bestaande integratiebeleid in de sectoren van arbeid, onderwijs en volwasseneneducatie. De aanbevelingen werden overgenomen in samenhang met de nota Sociale vernieuwing. Weer vijf jaar later, in 1994, bood de minister van binnenlandse zaken de Kamer de Contourennota integratiebeleid etnische minderheden aan, waarin het minderhedenbeleid omgedoopt werd tot integratiebeleid. Maar nieuwe woorden waren onvoldoende. Op veel te weinig plaatsen werd de daad bij het woord gevoegd. In plaats van beoogde integratie was het juist de segregatie die toenam - en daarmee de tegenstellingen tussen mensen.
Hoewel het theoretische minderhedenbeleid in de afgelopen kwart eeuw zich omgeschakeld heeft van 'integratie met behoud van eigen cultuur' tot 'het op een volwaardige wijze laten participeren van etnische minderheden in de kerninstituties van de Nederlandse samenleving', heeft dat veel te weinig geleid tot een omschakeling in de dagelijkse praktijk. Nagelaten is de migranten zelf bewust te maken van de noodzaak zich de Nederlandse taal eigen te maken, inzicht te verwerven in de hier geldende normen en waarden; nagelaten is evenzeer migranten hierin tegemoet te komen door voorwaarden te scheppen die het leren van Nederlands en het kennen van de Nederlandse samenleving mogelijk maken. Ook andere maatregelen die onontbeerlijk zijn om de deelname van etnische minderheden te bevorderen op de terreinen van onderwijs, werkgelegenheid en huisvesting zijn veel te lang achterwege gebleven. De gebrekkige deelname van grote groepen migranten aan de Nederlandse samenleving die hier mede een gevolg van is, belemmert tot nu toe de voortgang van het integratieproces.
Wie de balans opmaakt van het integratieproces van de afgelopen 20 jaar,
ziet aan de ene kant dat veel immigranten gaandeweg een plek onder de
zon verworven hebben in Nederland. 'Zij' zijn 'wij' geworden. Dat hebben
ze vooral aan zichzelf te danken en hun omgeving. In plaats van de scheiding
tussen 'allochtoon' en 'autochtoon' wordt de relatie steeds meer 'gewoon'.
Aan de andere kant zien we dat het integratieproces van grote delen van
de nieuwe allochtone groepen in de Nederlandse samenleving vastloopt.
Hun deelname aan de samenleving blijft structureel achter en hun kansen
op integratie worden steeds kleiner, met alle negatieve gevolgen voor
hen, hun kinderen en hun omgeving. In plaats van samen te leven ontstaan
nieuwe varianten van 'apartheid': zwarte en witte wijken, zwarte en witte
scholen, een zwarte onderklasse en een witte bovenklasse.
Het is niet dat er niet voldoende middelen besteed worden aan het allochtonenbeleid.
Integendeel, vele miljarden euro zijn in het minderhedenbeleid gestoken
- en verdwenen. De beleidsmakers zijn er niet in geslaagd om inburgering
en integratie te realiseren omdat zij geweigerd hebben in te grijpen daar
waar het absoluut nodig was. Daardoor zijn allochtonen nu zwaar oververtegenwoordigd
in armoede, werkloosheids- en criminaliteitsstatistieken.
Meer dan 300.000 allochtonen beheersen de Nederlandse taal onvoldoende,
een enorme hinderpaal voor de integratie. Ongeveer een half miljoen immigranten
bevindt zich in een achterstandsposities (SCP 2000/2001) Onderzoek van
de universiteit van Amsterdam geeft aan dat 40% van de allochtone gezinnen
op of ander de armoedegrens zit. De werkloosheid onder allochtonen is
drie keer zo hoog als onder autochtonen. In 1995 kwam het SCP met een
schokkend rapport over de toenemende segregatie: "Concentratiewijken
van allochtonen onderscheiden zich door een oververtegenwoordiging van
kansarme weinig op de Nederlandse samenleving georiënteerde en relatief
weinig verdienende allochtonen. In deze wijken zijn de risicofactoren
voor verslechteringen aanwezig." In de vier grootste steden van ons
land woont 42% van de totale minderhedenbevolking. Zij vormen gemiddeld
26% van de totale bevolking in die vier steden. Van de 23 postcodegebieden
in Nederland met een allochtone meerderheid zijn er 22 in de vier grootste
steden (SCP 1999, p.43, 44). Enkele voorbeelden die aangeven hoe ver de
concentratie daar is doorgevoerd: in Amsterdam Zuidoost is 70% van de
bevolking allochtoon; in Bos en Lommer 60%. In de Haagse Schildersbuurt
is de bevolking voor 84% allochtoon; in het Transvaalkwartier 80%. In
de Rotterdamse wijk Delfshaven hoort 69% van de inwoners tot de groep
allochtonen.
Integreren doe je op straat, op het voetbalveld, bij de bakker op het schoolplein. Maar door de segregatie komen vele allochtonen en ook hun kinderen vaak amper in contact met autochtonen. Zwarte en witte scholen zijn het resultaat van de maatschappelijke tweedeling waarvan nu de voorhoede zichtbaar is en het fundament is gelegd voor twee gescheiden samenlevingen in de toekomst. Een andere factor die het integratieproces belemmert, is de geringe interesse die veel migranten zelf aan de dag leggen voor de Nederlandse cultuur en samenleving Deze houding werd en wordt ingegeven door het feit dat velen de gedachte om ooit terug te keren naar het land van herkomst, niet definitief hadden en hebben losgelaten. Door de marginalisering waarin grote groepen oude migranten, met name uit Marokko, terecht zijn gekomen, en die zij als uitsluiting ervaren, in combinatie met een actief anti-integratiebeleid van het herkomstland, is bij deze groep de terugkeergedachte aangewakkerd. Veel oudere migranten zijn teruggekeerd of hebben nog steeds het voornemen dat de komende jaren te gaan doen.
Een volgende factor die integratie belemmert is beïnvloeding van
landen van herkomst, en ook vanuit fundamentalistische islamitische organisaties
bijvoorbeeld uit Saoedi-Arabië.
Dat gebeurt door bijvoorbeeld via financiering van religieuze projecten
en activiteiten, of van islamitische scholen. Dit soort beïnvloeding
gaat de integratie tegen. De migranten en vluchtelingen die wel bewust
voor Nederland hebben gekozen, zien dat met lede ogen aan, zonder dat
zij bij machte zijn om er verandering in te brengen. Wat dit aspect betekent
voor het integratiebeleid van migranten uit dat gebied in de Nederlandse
samenleving is nooit onderzocht en ook nooit in het beleid meegenomen,
laat staan dat er rekening mee is gehouden.
Een andere belemmering - vooral ook gevoed door de slechte integratie - is het 'wij /zij denken.' De termen allochtonen en etnische minderheden benadrukken en versterken de verschillen tussen bevolkingsgroepen die voor de wet gelijk zijn, met dezelfde rechten en plichten Het bevorderen en stimuleren van volwaardig burgerschap van allen die het recht hebben verworven om hier te verblijven, moet zich richten op het opheffen van achterstand. De culturele eigenheid en diversiteit van de verschillende bevolkingsgroepen, en van de individuen binnen één bevolkingsgroep, moet aan de individuen en aan de groepen zelf worden overgelaten.
Ook de werkgelegenheidsituatie van een aantal minderheidsgroepen blijft structureel achter op die van de autochtone bevolking en zelfs achter op andere minderheidsgroepen. De verlaging van de werkloosheid in de afgelopen jaren is vooral toe te schrijven aan gesubsidieerde banen. Maar allochtonen, waaronder ook veel jongeren, slagen niet in om door te stromen van een gesubsidieerde baan naar betaald werk met betere perspectieven. Hun vertegenwoordiging in hogere en leidinggevende banen is onevenredig klein en de perspectieven op verbetering evenzeer.
Ondanks alle belemmeringen en alle ernstige beleidsfouten, hebben veel
burgers die van elders gekomen zijn, hun plek in de Nederlandse samenleving
weten te verwerven. Zij horen erbij, 'zij' zijn 'wij' geworden. Daarmee
bewijzen ze ook dat integratie geen illusie is maar een reële mogelijkheid.
Ze bewijzen tevens hoe waardevol ze voor de samenleving als geheel zijn.
En ze verrijken die samenleving door hun eigen inbreng, ervaringen en
achtergronden.
Het bewijs dat door geïntegreerde nieuwkomers wordt geleverd is ook
het bewijs dat het streven naar een geïntegreerde samenleving zinvol
en perspectiefvol is. Juist daarom is het van het grootste belang te leren
van die ervaringen en ze toe te passen op mensen en groepen die (nog niet)
ingeburgerd zijn. Wij zijn van mening dat het zaak is in de komende jaren
de segregatie van mensen en groepen van mensen een halt toe te roepen
en de integratie gericht en stelselmatig te bevorderen. Basisvoorwaarde
voor een dergelijk nieuw beleid is de bereidheid van alle betrokkenen
om mee te werken. Wij zijn van mening dat, juist omdat de problemen zo
omvangrijk worden, het inzicht steeds meer doordringt dat ingrijpende
maatregelen nodig en onontkoombaar zijn. Dat kan het juiste klimaat scheppen
om in de komende jaren te doen wat in de afgelopen jaren ten onrechte
nagelaten is.
Dit zijn voor ons de vijf hoofdlijnen voor een Deltaplan voor een geïntegreerde samenleving: samen de werkelijkheid onder ogen zien, samen kiezen, samen leren, samen wonen, samen leven.
Vele miljarden zijn in het minderhedenbeleid gepompt, zonder voldoende resultaat. Veel te lang is dat toegedekt en heeft er een taboesfeer gehangen rondom alles wat met minderheden te maken heeft. Daarmee moeten we ophouden. Laten we samen kijken waar we staan en daarbij zeggen wat gezegd moet worden. Om vast te stellen wat er allemaal is misgegaan met het integratiebeleid en waarom moet er een brede maatschappelijke discussie komen, aangevuld met een parlementaire enquête. De samenleving móet in de spiegel kijken om te zien hoe we ervoor staan en waarom dat zo is. Politici, ambtenaren, vertegenwoordigers van organisaties, burgers, onder wie zeker ook allochtonen en hun organisaties, moeten af van hun huivering om dit thema te bespreken. Ze moeten zichzelf dwingen om te kijken wat er verkeerd ging, waarom en wanneer. Alleen zo kunnen we tot beter beleid komen en weer gaan werken aan een geïntegreerde maatschappij waarin iedereen een eerlijke kans heeft gelukkig te worden. Nog langer de ogen sluiten voor de werkelijkheid zal funeste gevolgen voor de hele samenleving hebben.
Mensen die van elders naar hier gekomen zijn moeten kiezen waar hun toekomst
uiteindelijk ligt. Zij moeten die vraag stellen en beantwoorden, zeker
met het oog op de kansen van hun kinderen. De overheid en de samenleving
moeten de omstandigheden dusdanig gemaakt worden dat een verantwoorde
keuze ook daadwerkelijk mogelijk is. Wie kiest voor blijven, moet daar
ook snel de resultaten van merken. Dat betekent dat de procedure tot het
verkrijgen van het staatsburgerschap moet worden vereenvoudigd en gestandaardiseerd
en gratis zijn. De keuze om (vooralsnog of blijvend) de nationaliteit
van het herkomstland te behouden moeten we overlaten aan het individu.
Waar spanningen kunnen optreden tussen de ene en de andere nationaliteit
moet gezocht worden naar praktische oplossingen.
Wie kiest voor Nederland, moet ook letterlijk mogen kiezen. Het kiesrecht
voor de gemeenteraad moet sneller verleend worden: niet eerst na vijf
jaar maar al na drie jaar. En ook voor de provincie dient een dergelijk
kiesrecht verleend te worden. Het recht om het nationale parlement te
kiezen moet verbonden blijven aan het staatsburgerschap. Wie voor dat
laatste kiest, verwerft daarmee ogenblikkelijk het recht om te kiezen
en gekozen te worden in alle instituties van het land.
Verder dient er een einde te komen aan de lukrake benaming en behandeling
van mensen wier wieg of de wieg van de ouders elders gestaan heeft. Mensen
moeten er voortaan voor kunnen kiezen om geen 'allochtone' of 'autochtone'
maar 'gewone' inwoner van dit land te zijn. Er mag niet op voorhand van
uitgegaan worden dat iemand, vanwege zijn afkomst, automatisch als allochtoon
behandeld wil worden. Mensen mogen zelf aangeven of ze nog wel of niet
meer als lid van een minderheidsgroep geregistreerd wensen te blijven.
Wie kiest voor teruggaan naar het land van herkomst moet de kans krijgen
zichzelf en zijn omgeving daarop voor te bereiden en dient geholpen te
worden bij het realiseren van de terugkeer, met financiële ondersteuning
en nazorg. Veel allochtonen denken erover om als de mogelijkheden zich
daarvoor voordoen terug te keren naar het land waar zij geboren zijn.
Daar is niks mis mee - maar het is wel zaak om daar zo snel mogelijk duidelijkheid
over te krijgen met het oog op het verblijf hier en het verblijf straks
in herkomstland. We moeten voorkomen dat mensen in vlees-noch-vis-situaties
leven en blijven leven; dat is immers een regelrechte oorzaak van nergens
bij horen. De terugkeerkans van oudere migranten die hier niet willen
en of niet kunnen aarden moet ingrijpend verbeterd worden, bestaande belemmeringen
voor hun terugkeer moeten weggenomen worden, de huidige remigratieregeling
verruimd. Verder moeten er bureaus voor advies en informatie opgericht
worden Turkije en Marokko, de twee landen waar naartoe grote aantallen
migranten teruggegaan zijn met gebruik van een terugkeerregeling. Daarmee
kan voorkomen worden dat mensen straks nergens meer thuis zijn.
Het onderwijs speelt een cruciale rol in de ontwikkeling van kinderen
en jongeren. Daarmee is het ook hoeksteen van een geïntegreerde samenleving.
Alle tendensen die daartegen ingaan moeten we proberen te voorkomen. Dat
vereist dat er snel een steeds verdergaande integratie van algemeen en
bijzonder onderwijs in samenwerkingsscholen tot stand komt. Daardoor kan
beter gestuurd worden in leerlingpopulatie, kwaliteit van het onderwijs
en vestigingsplaatsen. Verder dient er te worden ingegrepen op scholen
waar de populatie sterk afwijkt van de bevolkingssamenstelling. We moeten
af van 'witte' en 'zwarte' scholen en alles in het werk stellen om 'gemengde'
scholen te krijgen. Geïntegreerde scholen zijn immers de bakermat
voor een geïntegreerde samenleving. Segregatie in het onderwijs kan
ingrijpende gevolgen hebben voor het leven in de toekomst.
Actieve stimulering van gemengde scholen en een ontmoedigingsbeleid voor
zwarte scholen dient daarom boven aan de agenda van zowel de landelijke
als de lokale overheid te staan. De rijksoverheid dient het algemene beleid
uit te zetten en de voorwaarden voor lokale en regionale uitvoering te
scheppen. Elke gemeente moet samen met alle betrokkenen, scholen en ouders,
een actief scholierenspreidingsplan maken, met het doel zo snel mogelijk
gemengd onderwijs in de gemeente te realiseren. Daarvoor dienen voldoende
financiële middelen en organisatorische ondersteuning geboden te
worden. Waar nodig moet goed en gratis scholierenvervoer geregeld worden
zodat iedereen binnen redelijke tijd op school kan zijn en weer thuis
kan komen. Het recht op leerlingenvervoer bestaat al; het maakte deel
uit van de 'pacificatie' van de schoolstrijd in 1917. Volgens die afspraak
mogen er geen financiële belemmeringen zijn voor ouders om het onderwijs
van de verlangde richting te kiezen. Besloten zal moeten worden hoe op
basis van deze regeling het beste vervoer aangeboden kan worden aan kinderen
ter bevordering van een betere 'menging' van leerlingen en daarmee aan
het tegengaan van 'zwarte' en 'witte' scholen.
Omdat integratie niet vroeg genoeg kan beginnen moeten er gratis peuterspeelzalen
komen met een gemengde samenstelling. Allochtone ouders moeten voortdurend
gestimuleerd worden hun kinderen naar gemengde peuterspeelzalen te sturen,
gebruik makend van vervoersvoorzieningen en ander vormen van ondersteuning.
Autochtone ouders moeten eveneens worden aangezet hun kinderen samen met
allochtone kinderen op de peuterspeelzaal te doen, ook met gebruikmaking
van vervoers- en andere wenselijke regelingen. Hoe jonger het integratieproces
begint, hoe groter de kansen dat kinderen gelijke kansen op een gelukkige
toekomst krijgen.
Het aanstellen van schoolcontactfunctionarissen kan, zo is uit eerder
opgedane ervaringen gebleken, het schoolverzuim voor 50 % terugdringen
en de betrokkenheid van de ouders belangrijk vergroten. Die dienen dus
overal te worden aangesteld, met financiering door de overheid. Door ook
functionarissen uit de allochtone gemeenschappen in te zetten, kan het
contact met de betreffende ouders verbeterd worden. Het contact tussen
ouders en de school, zowel periodiek als wanneer dat tussentijds nodig
is, mag niet vrijblijvend zijn. Ouders en leerkrachten dienen daar op
aangesproken te worden, terwijl scholen de faciliteiten moeten krijgen
om dergelijke contacten optimaal te doen functioneren.
Buitenlandse geldstromen naar het onderwijs moeten onmiddellijk verboden
worden. Nederland is een van de rijkste landen van de wereld dus we hebben
beslist geen geld van anderen nodig om ons onderwijs te verzorgen. Beïnvloeding
van het onderwijs door organisaties uit het buitenland is volstrekt onaanvaardbaar.
Verenigingen en stichtingen in het onderwijs van wie blijkt dat zij toch
geld ontvangen, verliezen hun recht op subsidie van het door hen verzorgde
onderwijs.
Wie een geïntegreerde samenleving wil, moet zorgen voor geïntegreerde
wijken, buurten en straten. Op dit moment is er sprake van een volslagen
scheve verhouding. Bijna de helft van alle allochtonen woont in de vier
grootste steden van ons land - en daar weer in slechts een aantal wijken.
In steden onder de 100.000 inwoners wonen verhoudingsgewijs veel minder
allochtonen maar ook daar zijn segregatietendensen zichtbaar. Die ontwikkeling
dient doelbewust gekeerd te worden. Dat kan niet van de ene op de andere
dag - maar er kan morgen al wel mee begonnen worden. Wachten is zinloos
en gevaarlijk.
Er moet landelijk beleid ontwikkeld worden dat een doortastende aanpak
van de ruimtelijke segregatie mogelijk maakt. Mensen moeten daardoor het
vertrouwen krijgen dat de koers daadwerkelijk gewijzigd is en gemengde
woonwijken het doel zijn. De lokale overheden dienen effectieve en doorzichtige
integratieplannen te maken op het terrein van ruimtelijke ordening en
huisvesting en ter goedkeuring voor te leggen aan de landelijke overheid.
Deze plannen worden vervolgens daar waar nodig gefinancierd door de landelijk
overheid
Kern daarvan is het besef dat de huidige witte wijken van het slot moeten
en opengebroken worden voor allochtonen. Dat kan door het woningbouwbeleid
en het huursubsidiebeleid te wijzigen. Er moeten veel meer huurwoningen
en goedkopere koopwoningen in witte wijken worden gebouwd. Daarvoor dient
de landelijke overheid nieuwe subsidies beschikbaar te stellen en dienen
woningcorporaties zich weer op hun oorspronkelijke taak te gaan richten:
sociale volkshuisvesting. De negatieve effecten van de bruteringsoperatie
uit de jaren '90 van de vorige eeuw dienen te worden teruggedraaid. In
zwarte wijken dient gestopt te worden met de grootschalige sloop van betaalbare
woningen. Door drastische verbetering van het woning- en woonomgevingsonderhoud
moeten deze wijken ook voor andere bewoners aantrekkelijk gemaakt worden.
Het woningtoewijzingsbeleid moet worden gericht op aanmoediging en bevordering
van een meer evenredige spreiding van allochtonen en autochtonen. Allochtone
woningzoekenden dienen extra kansen te krijgen op woningen in witte wijken
en autochtone bewoners moeten volop ondersteuning krijgen bij het houden
of vinden van een woning in wijken waar nu een overconcentratie van allochtonen
is.
Ondertussen dient de kwaliteit van wonen in wijken met overconcentraties
van allochtonen ingrijpend bevorderd te worden zodat deze wijken gaandeweg
aantrekkelijker worden voor iedereen. Verloedering dient te worden tegengegaan
door inzet van mensen en middelen door de lokale overheid en de woningcorporaties.
Bewoners dienen daarbij nadrukkelijk betrokken te worden. Het gedogen
van praktijken die het leefklimaat aantasten, moet stoppen. In alle wijken
van het land dienen dezelfde regels te gelden en gehandhaafd te worden.
Dat geldt ook voor het vestigingsbeleid van winkels en andere ondernemingen.
Bij het vestigingsbeleid dient mede gekeken te worden naar wat er nodig
is om gemengde wijken te handhaven of te bevorderen.
Inburgeringscursussen voor nieuwkomers moeten resultaten gaan garanderen.
Uitgangspunt dient te zijn dat iedereen de inburgeringscursus pas verlaat
als hij of zij voldoende kennis van het Nederlands en de Nederlandse samenleving
heeft opgedaan. Deelname dient verplicht te zijn en handhaving van die
verplichting dient daadwerkelijk plaats te vinden. Uitval moet niet worden
toegestaan. Oorzaken van uitval moeten worden aangepakt.
Alle wachtlijsten voor overig taalonderwijs aan allochtonen dienen met
voorrang te verdwijnen. De kwaliteit van dit onderwijs moet drastisch
worden verbeterd. Er moeten aanvullende laagdrempelige en toegankelijke
taal- en oriëntatiecursussen komen op wijkniveau voor migranten.
Ook moet de televisie een veel prominentere rol gaan spelen in het taalonderwijs
aan deze allochtonen. Verenigingen en organisaties van allochtonen kunnen
hierin een belangrijke ondersteunende rol vervullen.
Het hebben van werk is buitengewoon belangrijk voor integratie van individuen
en bevolkingsgroepen in de samenleving. Het vergroot de onafhankelijkheid
en daarmee het zelfrespect. Het vergroot het respect van kinderen voor
hun ouders en voor de samenleving waarin zij leven. Het inspireert kinderen
om ook zelf actief te zoeken naar opleiding en werk. De werkgelegenheid
van allochtonen dient daarom met meer kracht bevorderd te worden. Werk
is ook een uitstekend middel om de communicatie met anderen te bevorderen.
Ondernemingen die in hun personeelsbestand duidelijk achterblijven bij
het in dienst nemen van allochtonen dienen daarop aangesproken te worden,
maar ook mag niet geschroomd worden sancties in te zetten om voldoende
medewerking aan werk voor allochtonen af te dwingen. In het algemeen,
maar ook specifiek de subsidies voor langdurig werklozen, moeten ingezet
worden in het investeren in de mensen, in het verbeteren van de arbeidsmarktpositie
en perspectief door opleiding en bijscholing.
De overheid, landelijk, provinciaal en lokaal, kan ook zelf werkgelegenheid
tot stand brengen waarbij participatie van allochtonen een rol speelt.
Doorstromingsfaciliteiten naar 'gewoon' werk moeten extra aandacht krijgen.
De mogelijkheden van scholing en bijscholing dienen te worden uitgebreid,
evenals de begeleiding van allochtone werknemers die uit het arbeidsproces
zijn geweest of er voor het eerst aan deelnemen.
Een grote verbetering van de arbeidsmarktpositie voor allochtonen is te
behalen door gesubsidieerde banen om te zetten in fatsoenlijk betaalde
banen. Omdat veel allochtonen werken in gesubsidieerde banen is het van
groot belang dat die banen hun wankele basis verruilen voor meer vastheid.
Dat vereist dat er voortaan normale CAO-lonen betaald gaan worden, het
tijdelijke karakter wordt opgeheven en de doorstromingsmogelijkheden beduidend
worden vergroot. Een dergelijke aanpak past uitstekend bij de hoogstnoodzakelijke
wederopbouw van de publieke sector. Daar is ontzettend veel uiterst nuttig
werk te verrichten.
De ontwikkeling van opvattingen bij bepaalde groepen allochtonen verloopt
voor een belangrijk deel via de religie. Daarom is het nodig dat ook religieuze
organisaties een bijdrage leveren aan het samen leven van verschillende
bevolkingsgroepen. Voorkomen moet worden dat religieuze leidspersonen
het noodzakelijke integratieproces belemmeren, bewust of onbewust. Er
moet een einde komen aan het onverantwoord importeren van geestelijken
die geen kennis hebben van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving.
Wie een verblijfsvergunning wil krijgen als geestelijke, moet daarom vóór
zijn komst naar Nederland zich deze kennis aantoonbaar eigen gemaakt hebben.
Dat zal eraan bijdragen dat geestelijken meer in Nederland zelf gezocht
en opgeleid worden.
Met in achtneming van de vrijheid van religie moet gewaarborgd blijven
dat het verbod tot oproepen tot discriminatie van mensen en bevolkingsgroepen
gehandhaafd blijft. Niemand mag straffeloos aanzetten tot discriminatie,
ook niet als men zich daarbij beroept op religieuze opvattingen. Buitenlandse
financiering van in Nederland opererende religieuze genootschappen moet
zoveel mogelijk worden tegengegaan en in ieder geval volstrekt transparante
gemaakt te worden, zodat mensen zien hoe verbanden lopen.
Samen leven vereist sociaal gedrag van de burgers in de samenleving. Het
is van het grootste belang de relaties tussen segregatie en asociaal gedrag
onder ogen te zien. Vastlopende integratie en toenemende segregatie spelen
zonder twijfel een belangrijke rol bij de oververtegenwoordiging van bepaalde
groepen allochtonen in de overlast- en criminaliteitsstatistieken. In
wijken met overconcentratie van allochtonen zijn bewoners vaker dan gemiddeld
slachtoffer van onveiligheid, overlast en criminaliteit. In deze wijken
wonen ook bovengemiddeld veel veroorzakers van onveiligheid, overlast
en criminaliteit. Een betere integratie zal leiden tot beduidend minder
overlast en minder criminaliteit.
Het bestrijden van criminaliteit en overlast van allochtone jongeren moet
bovenal praktisch en resultaatgericht worden. Hulpmiddelen daarbij zijn
het maken van profielen van daders, het ontleden van de harde kern van
recidivisten en het beschermen van allochtone jongeren die dreigen te
ontsporen of aan het begin staan van een crimineel bestaan. De harde kern
delinquenten moet snel en volgens de regels worden gestraft. Daarna moet
een strak resocialisatietraject worden uitgezet met inbreng en begeleiding
van professionele hulpverleners en ouders.
Allochtone ouders en organisaties worden veel te weinig en veel te laat
betrokken bij het voorkomen en bestrijden van asociaal gedrag. Hun betrokkenheid
dient danig vergroot te worden. Het zijn hún kinderen die hún
aandacht en ook hún toezicht vereisen - en voor wier gedrag zij
ook verantwoordelijk gesteld mogen worden, binnen redelijke grenzen. Met
meer begeleiding van de betreffende jongeren moet gezorgd worden dat ze
weer op het rechte pad komen en blijven. Om de acute overlast van bepaalde
groepen allochtone jongeren het hoofd te bieden, moeten er tijdelijke
en kleinschalige experimenten komen voor jongeren, die hun afkomst gemeen
hebben, om mee te helpen bij het toezicht houden op de leefbaarheid in
de wijken. Er dient een landelijke adviesraad te komen van en voor jongeren
uit de minderheidsgroeperingen die het meeste integratieproblemen ondervinden,
om adviezen, activiteiten en maatregelen te ontwikkelen.
Bezoek onze vernieuwde shop. Mooie kleding, leuke gadgets, interessante boeken en rapporten...