publicatie

Spanning, februari 2008 :: Wat Wilders wil

Spanning, februari 2008

Wat Wilders wil

Foto: Arie Kievit/ Hollandse Hoogte

Geert Wilders zegt veel over moslims en migranten, maar hij zegt ook veel over andere mensen en andere kwesties. Dat blijft echter goeddeels verborgen en het lijkt alsof Wilders daar zelf niet rouwig om is. Wie kent eigenlijk zijn pleidooien voor belastingverlaging voor de rijken, voor versoepeling van het ontslagrecht en voor verregaande ontmanteling van de sociale verzorgingsstaat? Of zijn steunbetuigingen aan de politiek van George Bush, aan de oorlog in Irak en aan de bezetting van Palestina? Of zijn voorstel om alle ontwikkelingshulp maar af te schaffen en alle internationale verdragen die hem niet goed uitkomen, eenzijdig op te zeggen? In deze Spanning treft u een overzicht aan van de politieke standpunten van Geert Wilders.

Tekst: Ronald van Raak

Eerst krijgt u een inkijkje in zijn politieke uitgangspunten. De ideologie van Wilders is nauw verwant aan het rechtse (neo)liberalisme: hij werkte niet voor niets bijna vijftien jaar voor de VVD en hij bleef ook na het afscheid van deze partij in 2004 trouw aan zijn rechts-liberale beginselen. Maar Wilders gaat verder. In zijn opvattingen over migranten en moslims is hij sinds zijn vertrek bij de VVD sterk geradicaliseerd.

In ‘Vrijheid voor wie?’ blijkt dat Wilders niet kiest voor integratie, maar voor segregatie. Hij wil twee Nederlanden: één voor autochtonen en één voor allochtonen, voor wie andere wetten en regels gelden. Maar boven alles kiest Wilders voor nog een andere tweedeling: tussen mensen die het ruim hebben en mensen die het moeilijk hebben. De voorstellen van Wilders pakken goed uit voor multimiljonairs en multinationale ondernemingen, maar betekenen weinig goeds voor hardwerkende Nederlanders, allochtoon én autochtoon. Mensen met een lagere opleiding, met een lager inkomen, die wonen in een buurt met veel problemen, zijn met Wilders veelal slechter af.

Wilders spreekt graag in one-liners. Maar is altijd duidelijk wat hij zegt? In ‘Ik mag zeggen wat ik wil’ (p.10) gaan we in op zijn retoriek.

In ‘De ‘partij’ van Wilders’ laten we zien hoe de Partij voor de Vrijheid is georganiseerd – beter gezegd: voor u op slot zit. U kunt geen lid worden van de partij van Wilders. De PVV is ook geen buitenparlementaire ‘beweging’. De partij van Wilders is Haags en heeft maar één lid, en dat is Geert Wilders. U kunt niet meepraten en meebeslissen over de politiek van de PVV, u kunt ook niet weten waar Wilders het geld voor zijn partij vandaan haalt.

In ‘De standpunten van Wilders’ zetten we de voorstellen van Wilders nog eens op een rij. Hoe denkt de PVV over migratie, over integratie, maar ook over onderwijs, zorg, openbaar vervoer, wonen en werken? Over de toekomst van Europa, onze omgang met ontwikkelingslanden en onze buitenlandse politiek? En wie gaat dat allemaal betalen?

Wie is Wilders?

Geert Wilders werd in 1963 geboren in Venlo, als nakomertje, na twee zussen en een broer. In een interview met journaliste Wouke van Scherrenburg noemt hij zichzelf een verwende snotaap, een echte lastpak, die deed waar hij zin in had [1]. Wilders trouwde met de van afkomst Hongaarse Krisztina.

In 1990 werd hij beleidsmedewerker van de Tweede Kamerfractie van de VVD, aangetrokken door het politieke optreden van toenmalig VVD-leider Frits Bolkestein. In 1998 werd Wilders zelf Kamerlid voor de VVD, halverwege de ‘paarse’ samenwerking, onder Wim Kok, met PvdA en D66. Zeven jaar zat hij voor de VVD in de Haagse Kamerbankjes. Hij steunde achtereenvolgens Paars-2, Balkenende-1 en -2 en werd bekend als snoeiharde woordvoerder op sociale zaken, die een warm voorstander was van het verder uitkleden van de WAO en andere vormen van sociale zekerheid.

Wilders lijkt een geboren oppositievoerder maar is dat niet. Vanaf 1994 maakte de VVD deel uit van de regering. Tijdens de paarse kabinetten werkte Wilders samen met PvdA en D66 aan de politiek van meer markt en minder overheid, van afbraak van sociale zekerheid en uitverkoop van publieke diensten. Als deelgenoot in de coalitie van VVD, PvdA en D66 is hij medeverantwoordelijk voor het mislukte integratiebeleid dat in die jaren werd gevoerd. Bij de verkiezingen van mei 2002 werden VVD en PvdA afgerekend op deze politiek. De LPF, de partij van de kort daarvoor vermoorde Pim Fortuyn, won deze verkiezingen. Op initiatief van de SP – de andere winnaar van de verkiezingen – organiseerde de Tweede Kamer een onderzoek, dat in 2004 concludeerde dat het integratiebeleid in Nederland was mislukt. Ook na 2002 bleef Wilders echter verantwoordelijk voor dit integratiebeleid, toen de VVD met het CDA de eerste twee kabinetten van Balkenende vormde. In al de jaren dat hij Kamerlid was voor de VVD, heeft Wilders naar eigen zeggen nooit afwijkend gestemd. Hij was lange tijd eerder braaf dan dwars.

De vrijheid van de markt

In september 2004 werd Wilders uit de VVD gezet. In zijn boek Kies voor vrijheid zegt hij: ‘Mijn breuk met de VVD was niet verwacht en niet begeerd.’[2] Na het verkiezingsdebacle van 2002 bleef het in de VVD onrustig. De VVD heeft traditioneel twee vleugels. Aan de ene kant staan de klassieke liberalen, die de vrije markt prediken, met een overheid die zich zo weinig mogelijk met de samenleving bemoeit. Daartegenover staan de conservatieven in de VVD, die ook geloven in de vrije markt als het gaat om sociale zekerheid en publieke diensten, maar juist alle vertrouwen stellen in de overheid als het gaat om orde en veiligheid.

Op het moment dat Wilders in 1990 ging werken voor de Tweede Kamerfractie was Bolkestein net fractievoorzitter. Bolkestein was een leider die in eerste instantie beide vleugels van de partij wist te vertegenwoordigen; hij zette zich in voor de belangen van het bedrijfsleven en de beter gesitueerden, maar hij stelde ook dat in de politiek meer aandacht nodig was voor waarden en normen. Bovendien vroeg hij aandacht voor de problemen met de integratie van nieuwkomers. Wilders werd na verloop van tijd tekst schrijver van Bolkestein. Hij zegt het volgende van Bolkestein te hebben geleerd: ‘Wees niet bang voor kritiek en houd je rug recht en beweeg geen millimeter.’[3]

Toen Wilders in 1998 Tweede Kamerlid werd, was Bolkestein weg en opgevolgd door Hans Dijkstal. De omgang tussen Wilders en de nieuwe partijleider was vanaf het begin slecht: ‘Onder Dijkstal verdween wat Bolkestein had opgebouwd als sneeuw voor de zon,’ zo zegt hij nu [4]. Bij de verkiezingen van mei 2002 daalde de VVD van 38 naar 23 zetels en verloor Wilders zijn zetel op het Binnenhof. Hij stond dertigste op de kieslijst en keerde pas terug in de Tweede Kamer toen een aantal Kamerleden had plaatsgenomen in de eerste regering-Balkenende. Daarin gingen VVD en CDA samen met de LPF, die met 26 zetels groter was geworden dan de VVD. Veel conservatieve leden van de VVD – waartoe Wilders kon worden gerekend – vonden dat de partij zich door de Fortuynisten de kaas van het brood had laten eten. In 2004 pleitte Wilders, samen met onder meer zijn fractiegenoten Hans van Baalen en Gert-Jan Oplaat, openlijk voor een nóg rechtsere, ‘conservatief-liberale’ koers van de VVD.

Na de nederlaag van mei 2002 werd Hans Dijkstal eerst opgevolgd door Gerrit Zalm en in mei 2003 door Jozias van Aartsen. Wilders kon het aanvankelijk goed vinden met deze nieuwe fractievoorzitter. Maar toen bleek dat Van Aartsen niet bereid was om resoluut te kiezen voor een rechtsere koers, bekoelden de verhoudingen snel. Wilders zegt nu dat ‘het enige conservatieve aan Van Aartsen het krijtstreepje in zijn pak was.’[5] Nadat hij in het zomerreces van 2004 in Limburg een eigen tienpuntenplan presenteerde, volgde in september een breuk met de VVD.

Geen zekerheid, maar zelfredzaamheid

Na zijn afscheid van de VVD ging Wilders op zoek naar nieuwe politieke vrienden. In januari 2006 trad Bart-Jan Spruyt, de voormalige directeur van de neoconservatieve Edmund Burke Stichting, in dienst van wat vanaf nu de Groep Wilders heette. Neoconservatieven, zo zagen Wilders en Spruyt, hadden in de Verenigde Staten veel invloed op de regeringen van George Bush. Op sociaal en economisch gebied wilden deze neoconservatieven zo weinig mogelijk invloed van de overheid; hier geloofden zij in de zegeningen van de marktwerking. Anders was het gesteld met de bemoeienis van de overheid als het gaat om orde en veiligheid, hier zagen zij wél een grote rol weggelegd voor de overheid en hadden zij juist veel vertrouwen in de sterke arm van de staat.

De Onafhankelijkheidsverklaring, het beginselprogramma dat Wilders in 2004 na zijn vertrek uit de VVD schreef, gaat in hoofdzaak niet over migranten – Wilders’ latere stokpaardje – maar vooral over belastingverlaging en meer vrijheid voor ondernemers [6].

Lagere belastingen voor mensen en bedrijven moeten vooral zorgen voor een ‘positief ondernemingsklimaat’. Daarnaast moet het mes in de sociale voorzieningen en kan het minimuminkomen worden afgeschaft. De arbeidsmarkt moet verder worden geflexibiliseerd en bedrijven moeten mensen gemakkelijker kunnen ontslaan. Wilders toont zich bepaald geen vriend van de vakbonden; zij worden wat hem betreft tandeloos gemaakt, en de door hen afgesloten cao’s worden niet meer algemeen verbindend verklaard.

Vrijheid betekent voor Wilders dat de overheid zich zo min mogelijk moet bezighouden met sociale zekerheid. Hij doet vooral een beroep op de ‘zelfredzaamheid’ van burgers. Tot zover de neoliberaal Wilders. Als het gaat om orde en veiligheid, dan blijkt uit de Onafhankelijkheidsverklaring juist een groot geloof in de maakbaarheid van de samenleving. De overheid moet mensen preventief kunnen arresteren en burgers hun grondrechten kunnen ontnemen [7]. Hier spreekt de neoconservatief, die Wilders ook is. Over de meeste onderwerpen spreekt Wilders zich in zijn beginselverklaring echter helemaal niet uit. Over zaken als gezondheidszorg, vervoer, woningbouw, ruimtelijke ordening, natuur en milieu, wetenschap en cultuur, jongeren- en ouderenbeleid, internationaal beleid en financieel beleid, is in dit politieke programma niets te vinden.

Geen mensen, maar culturen

In Kies voor vrijheid, dat in 2005 verschijnt, gaat Wilders uitgebreider in op zijn opvattingen over migratie en integratie en ook hier is de invloed te zien van de neoconservatieven. In de wereld van Wilders wonen geen eigenzinnige mensen, maar zijn mensen vooral onderdeel van een cultuur. Neoconservatieven zijn geneigd de verschillen tussen mensen te verengen tot verschillen in hun religie: elk land heeft in hun opvatting een nationale cultuur, die vooral is gebaseerd op religieuze uitgangspunten. Individuen zouden onlosmakelijk zijn verbonden met hun cultuur. Neoconservatieven geloven bovendien dat deze verschillende religieuze culturen niet vreedzaam naast elkaar kunnen bestaan. Alleen door met elkaar de strijd aan te gaan kunnen culturen sterk worden en overleven. Neoconservatieven als Spruyt menen dat burgers met een islamitische achtergrond wezensvreemd zijn aan ons land en zich alleen kunnen aanpassen als zij hun religie afzweren.

Ook Wilders stelt dat ‘de Nederlandse cultuur [is] gebaseerd op christelijk-joodse en humanistische waarden en niet op die van de islam.’[8] Dit betekent volgens hem dat mensen met een islamitische achtergrond niet passen in onze samenleving: ‘Democratie en islam zijn dus onverenigbaar.’[9] Nederlandse moslims moeten daarom niet als gelijke burgers worden behandeld: zij hebben niet dezelfde rechten om omroepen te hebben, scholen te stichten of gebedshuizen in te richten. Nederlandse moslims mogen preventief worden opgepakt, krijgen niet dezelfde grondrechten als andere Nederlanders en kunnen bij een overtreding het land worden uitgezet. Wilders rechtvaardigt deze vorm van ‘apartheid’ met de stelling dat deze maatregelen zouden passen bij de ‘islamitische cultuur’. ‘Als Nederland zich op dit punt zou aansluiten bij regelgeving uit Marokko zal het daar perfect worden begrepen’, staat te lezen op pagina 81 van Kies voor Vrijheid. Opmerkelijk genoeg draagt Wilders op deze manier juist bij aan de ‘islamisering’ van Nederland.

De samenwerking tussen Wilders en Spruyt is van korte duur. In augustus 2006 verlaat de neoconservatieve denker de Groep Wilders alweer. In aanloop naar de verkiezingen van november 2006 vinden gesprekken plaats met andere rechtse politici, zoals Marco Pastors en Joost Eerdmans. Wilders ziet echter weinig heil in rechtse samenwerking; de brede neoconservatieve beweging die Spruyt zo graag had gezien is er niet gekomen. Spruyt schrijft dit toe aan de persoon van Wilders: ‘Hij wil geen concurrenten, maar omringt zich met mensen die loyaal zijn aan zijn partij Ik Geert Wilders.[10] Na zijn breuk met Wilders oordeelt de voormalige ideoloog hard over hem. Hij noemt diens PVV ‘de belichaming van een paniekerig soort van conservatisme’, dat ‘een middenpositie tussen prudent conservatisme en fascisme inneemt met een natuurlijke neiging tot de laatste stroming.’[11] Daarmee doelt Spruyt vooral op de verharding van Wilders’ standpunten over migranten na de verkiezingsoverwinning van 22 november.

Voetnoten

  1. Wouke van Scherrenburg, Mannen op het Binnenhof, Amsterdam 2007, p. 47-8
  2. Geert Wilders, Kies voor Vrijheid. Een eerlijk antwoord, z.p. 2005, p. 9
  3. idem, p. 27
  4. idem, p. 30
  5. idem, p. 33
  6. idem, p. 108
  7. idem, p. 122
  8. idem, p. 85
  9. idem, p. 66
  10. NRC Handelsblad, 21 april 2007
  11. http://bartjanspruyt.blogspot.com/2007/01/

    weimar-in-aanbouw-deel-1.html