publicatie

Spanning februari 2010 :: “Een zwakke vakbond speelt rechts in de kaart”

Spanning, februari 2010

Jan Marijnissen en Paul Ulenbelt over de relatie SP-vakbeweging

“Een zwakke vakbond speelt rechts in de kaart”

De vakbeweging staat onder druk. Rechts probeert de vakbeweging al tientallen jaren de put in te praten, maar ook van binnenuit klinken steeds weer kritische geluiden over de koers die de vakcentrales en dan vooral de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) volgen. De socialistische beweging is vanouds nauw verbonden met het wel en wee van de vakbonden. Tijd voor een gesprek met de voorzitter van de grootste socialistische oppositiepartij en de woordvoerder Sociale Zaken van de SP-fractie in de Tweede Kamer. Het woord is aan Jan Marijnissen en Paul Ulenbelt.

Tekst: Sjaak van der Velden

Jullie hebben beiden ervaring met werken in en buiten de bonden. Hoe ging dat?

Jan Marijnissen: “Binnen de vroege SP hadden we een soort alternatieve vakbond, Arbeidersmacht. Die was in 1970 ontstaan in de Rotterdamse haven maar sloeg daarna vooral aan in Brabant. De bonden waren erg braaf en volgzaam. De NKV-bonden (Nederlands Katholiek Vakverbond – red.), met namen als St. Joris en St. Lambertus, waren heer en meester in de bedrijven. Het NVV (het socialistische Nederlands Verbond van Vakverenigingen – red.) ontbrak hoegenaamd. Wij hadden absoluut geen vertrouwen in de aanpak van de bonden en deden alles buiten ze om. We bouwden onze eigen netwerken op door mensen thuis te bezoeken. Als je dat aan de poort deed, dan durfde niemand te praten natuurlijk, maar door frequent bij mensen langs te gaan hoorde je wat de problemen waren. Als er iets aan de hand was, dan deelden we een pamflet aan de poort uit, richtten we een actiecomité op, bleven we de mensen goed informeren, en gingen uiteindelijk tot actie over.

In Oss bijvoorbeeld waren we sterk vertegenwoordigd bij bedrijven als Philips, Zwan-Hartog, Bergoss, Thomassen en Drijver, Desso en Organon. We hebben verschillende stakingen georganiseerd. De grootste waren die bij Bergoss in 1973, en die bij Desso in 1977. De eerste duurde een week, de andere maar liefst twee weken. We deden dat helemaal op eigen kracht, buiten de bonden om. We collecteerden in het hele land om de stakers een uitkering te kunnen geven.

Later probeerden we ook met succes om in ondernemingsraden gekozen te worden. Vooral bij Zwan-Hartog en Philips werd dat een groot succes. Het gaf aan hoeveel vertrouwen we hadden gewonnen onder de mensen. In de jaren tachtig verliep het allemaal; mensen werden banger om hun nek uit te steken. Begin jaren negentig zijn we daarom definitief gestopt met Arbeidersmacht, en hebben we ons aangesloten bij de FNV.”

Paul Ulenbelt: “Wij pakten het anders aan. Ik was lid van de CPN en wij organiseerden wat we Bedrijvenwerk noemden. Dat waren tamelijk losse contacten van mensen van binnen en buiten de partij die als het nodig was naar buiten traden als een actiecomité. In Groningen waren regelmatig bijeenkomsten van de gezamenlijke actiecomités, gericht op het verenigen van georganiseerden en ongeorganiseerden; vooral om de bonden onder druk te zetten. Ons motto was meer ‘de bond is van ons’ en daarom stelden we als eis bij acties altijd direct dat de stakingskassen open moesten. Wat wij als een groot probleem zagen was het grote aantal ongeorganiseerden, wij vonden dat alle arbeiders lid van de bond moesten worden.

Het standbeeld van

Fré Meis in Oude-Pekela

Wij deden wel aanzetten tot stakingen met onze actiecomités in bijvoorbeeld de strokarton en de scheepsbouw. Een bekende naam uit die tijd is Fré Meis, een communist die op handen werd gedragen.

De bestuurders van de bonden waren daar natuurlijk helemaal niet blij mee. Zo zei een van die bestuurders tijdens de strokartonstaking van 1969 dat de mensen in Oude Pekela vrij links zijn en ‘het ontwikkelingspeil schijnt daar vrij laag te zijn en het aantal BLO-kinderen vrij hoog’. Nou, je snapt dat die opmerking door de leden niet in dank werd aanvaard. Hij is dan ook overgeplaatst.”

Zo te horen was er een groot wantrouwen tegen de officiële bonden?

Jan Marijnissen: “Daar was ook wel reden toe. De bonden bakten er niet veel van. Hoewel ze toen veel actiever waren dan nu. Maar je moet zijn waar de mensen zijn, en dat was in de bonden. Bovendien: wat kan zo’n klein regionaal bondje nu op de lange duur uitrichten? Eigenlijk was zowel onze vroegere aanpak als die van de CPN tamelijk sektarisch. We hebben nu als politieke partij contact met alle geledingen binnen de vakbeweging. We moeten actieve leden hulp en faciliteiten bieden, maar overleg met iemand als Agnes Jongerius zeker niet uitsluiten. In 2003 ben ik bijvoorbeeld actief betrokken geweest bij de oprichting van De Maat Is Vol, dat de stoot heeft gegeven tot de grote Coolsingel- en Museumpleinacties van een jaar later.

Een probleem van de vakbeweging is denk ik wel dat men nogal een dwarrelkoers volgt. De uitgezette lijn is voor vrijwel niemand duidelijk en dat schept verwarring onder de leden. En dat leidt tot een gebrek aan vertrouwen om strijd te kunnen winnen. Kijk naar de AOW-acties nu.”

Paul Ulenbelt: “De bonden moeten zich volgens mij inderdaad opnieuw oriënteren op wat ze willen. In de hoogtijdagen van het neoliberalisme was de teneur dat men af wilde van het collectieve optreden. Alles moest individueel. Uit die tijd stammen ook plannen om de vakbeweging om te vormen tot een soort sociale ANWB.

Zoals ik het zie zou de vakbeweging zich weer moeten richten op het vakmanschap van mensen; het heet niet voor niets vakbeweging. Door alle fusies die door de leiding in gang zijn gezet hebben leden niet meer het gevoel dat ze samen met vakgenoten in een bond zitten. Ja, bij journalisten is dat nog wel het geval. Maar wie kan zich nou iets voorstellen bij Bondgenoten?

Wat ook erg is veranderd, is het huidige gebrek aan een maatschappijvisie. Vroeger bemoeide de vakbeweging zich met kernbewapening, de oorlog in Vietnam en ga zo maar door. Nu hoor je van sommige bestuurders alleen nog maar plannen over loopbaanontwikkeling en cao’s à la carte.”

Jan Marijnissen: “Maar goed, hoe je het ook bekijkt, de partij staat natuurlijk los van de vakbeweging. We hebben onze ideeën over hoe het anders zou kunnen, maar we gaan niet georganiseerd binnen de bonden opereren. Die rabiate haat binnen de bonden zoals die vroeger bestond tegen alles links van de PvdA bestaat gelukkig niet meer. Dat komt zeker ook omdat wij met open vizier optreden. Wat we doen wordt door iedereen gekend en herkend.”

Paul Ulenbelt: “Precies, leden van ons zijn actief in diverse vakbonden, maar ze hebben daar hun eigen verantwoordelijkheid. We vertellen ze niet wat ze daar moeten doen. Wel maken we onze zienswijze duidelijk en we proberen mensen te inspireren. We zijn echt betrokken, maar moeten geen spelletjes spelen. Ik merk in de praktijk trouwens dat we de ene keer beter aansluiten bij FNVleden en een andere keer beter bij CNV’ers. Dat punt dat ik eerder noemde, over die vaktrots, vindt juist vaak weer meer weerklank bij leden van de Unie.”

Onder leden van de FNV schijnt de sympathie voor de SP tegenwoordig zelfs groter te zijn dan voor de PvdA.

Paul Ulenbelt: “Ja, ‘de Tomaten hebben de Rozen verdreven’ lees je dan, maar daar gaat het ons natuurlijk niet om. Wij vinden gewoon oprecht dat we de mensen moeten steunen en inspireren. Het ligt voor de hand dat socialisten de vakbeweging steunen als die voor diezelfde mensen opkomt.”

Jan Marijnissen: “De PvdA heeft natuurlijk wel veel invloed binnen de leiding van de FNV; Agnes Jongerius schijnt PvdA-lid te zijn. De Waal was het. Stekelenburg was het. Bos heeft nu een soort spijt betuigd over het blinde geloof van zijn partij in het neoliberalisme. Misschien dat er daardoor iets verandert. Maar dat moeten we eerst nog maar afwachten.”

Paul Ulenbelt: “Uit allerlei studies blijkt dat de marktwerking rampzalig heeft uitgepakt voor alles rond werk. Er moet nu iets gebeuren. De FNV heeft bijvoorbeeld de strijd rond de AOW te laat opgepakt en te lang geprobeerd om het via de SER te regelen. Het kan nog wel, maar is wel moeilijker geworden dan nodig was.”

Jan Marijnissen: “Er is, dat moeten we niet ontkennen, wel een probleem met de teruglopende organisatiegraad. Dat heeft denk ik te maken met de individualisering die met het neoliberalisme de maatschappij heeft veroverd. De vakbeweging is uiteraard geen eiland in de maatschappij, en heeft dus ook onder dat toenemende individualisme te lijden. Daar komt dan nog bij dat de vakbond niet meer herkenbaar aanwezig is. Vroeger waren er BedrijfsLeden- Groepen met eigen kranten, bedrijfspanden en afdelingsbestuurders. Dat is allemaal verdwenen. Daar maak ik me zorgen over, want een zwakke vakbond speelt rechts in de kaart dat misschien wel helemaal van de vakbeweging af wil. De VVD roept dat al dertig jaar.”

Paul Ulenbelt: “Maar zelfs een kleine vakbeweging kan veel mensen mobiliseren. Kijk maar naar Frankrijk, daar is de organisatiegraad nog veel lager dan hier, maar daar wordt veel actiegevoerd. Ook hier zie je dat toch wel. Er blijft door de problemen op de werkvloer altijd een geweldig potentieel voor mensen om elkaar op te zoeken. Een goed voorbeeld daarvan is FNV Vechtvoorjerecht, een groep die zich inzet om de strijdbaarheid binnen de FNV te vergroten.

De calculerende burger die uitrekent wat het kost om contributie te betalen en wat het aan loonsverhoging oplevert, lijkt misschien een nagel aan de doodskist van de vakbonden. Toch hebben we in 2004 gezien dat mensen best nog in beweging willen komen.”

Het is al even genoemd, maar er zijn meer vakbonden dan de FNV. Mensen richten soms een nieuwe bond op zoals NU’91. Hoe staan jullie daar tegenover?

Jan Marijnissen: “Toen NU’91 werd opgericht was ik daar nogal ambivalent over. Het begon als de Vereniging van Verplegenden in Opstand, maar tijdens de staking van 1992 ontstond er verwijdering tussen de verplegenden en het overige personeel in de zorgsector. Ze wilden een aparte loonsverhoging en doorbraken daarmee de onderlinge solidariteit met bijvoorbeeld de schoonmakers. Aan de andere kant voldoet deze organisatie wel aan het oorspronkelijke idee van een organisatie voor vakgenoten. Bovendien brachten ze leven in de brouwerij. Over het algemeen lijkt me versnippering van de vakbeweging geen goed idee, maar ook deze nieuwe organisaties benaderen we op dezelfde manier als de andere bonden.”

Hoe kijken jullie terug op de jaren zeventig-aanpak?

Jan Marijnissen: “We waren toen heel erg tegen de bonden. Nu zou ik weleens wensen dat er weer mensen als Arie Groenevelt of Herman Bode zouden opstaan. Daar ontbrak het aan de afgelopen dertig jaar. Veel mensen durven hun nek niet uit te steken uit angst voor ontslag. Je weet wel: ‘tsja, de hypotheek moet worden afbetaald’.

Toch moet er iets gebeuren om de vakbond nieuw leven in te blazen en te versterken. Het is vaak moeilijk om met de bonden te werken omdat ze geen uitgekristalliseerde visie hebben op bijvoorbeeld zaken als privatisering en liberalisering. Soms kunnen we met de bonden optreden als bondgenoot, maar daarnaast trekken we ons eigen plan. Daarom doen we ook die onderzoeken in vooral de publieke sector – bij de politie, de thuiszorg en in het onderwijs – naar werkomstandigheden en de kwaliteit van het werk. Daar merk je dat het bij mensen inderdaad gaat om beroepstrots en kwaliteit van het werk. Zelf een eigen bondje oprichten is echt geen optie meer.”

Paul Ulenbelt: “Als Kamerlid spreek ik veel met vakbondsmensen en hoor ik de problemen waarmee ze kampen. Door onze aanpak zien ze dat we echt betrokken zijn. Daarom staan we ook bij bedrijfspoorten als er iets aan de hand is, zoals de stakingen bij AKZO of de schoonmakers. We steunen daar dan de actievoerders zonder op de stoel van de bonden te gaan zitten. Vakbond en politieke partij hebben ieder hun eigen werkterrein, maar dat wil nog niet zeggen dat we niet nadenken over de koers van de bond. Daarom verspreiden we onze krant Solidair en komen we af en toe bij elkaar om over de vakbeweging te praten. Hopelijk inspireren we zo mensen. Dat is echter iets anders dan een georganiseerde oppositie binnen de bonden voeren, zoals we vroeger deden.”

Zie: www.fnvvechtvoorjerecht.nl