Juli 2000
Socialistische Partij
Eén miljoen Nederlanders heeft last van RSI-klachten, volgens het ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. En ruim tweeëneenhalf miljoen mensen
lopen risico op RSI. Vandaar dat het ministerie en het onderzoeksinstituut TNO
Arbeid RSI het grootste arbo-probleem van de toekomst noemen, op werkdruk na.
Maar wat is RSI, wat zijn de oorzaken en - vooral - wat kun je eraan doen?
Daarover gaat dit rapport, toegespitst op RSI bij beeldschermwerkers. Niet omdat
de kwaal alleen bij beeldschermwerkers voorkomt - RSI komt in sommige beroepsgroepen
relatief zelfs nog meer voor - maar omdat de groep beeldschermwerkers kwantitatief
de grootste risicogroep is en omdat er al relatief veel onderzoek naar is gedaan.
De werkplek en de werkhouding van de werknemer zijn bekende risicofactoren voor
het ontstaan van RSI. Maar daarnaast blijkt ook de organisatie van het werk een
belangrijke risicofactor. Een lange werkduur en een hoge werkdruk, leidend tot
weinig en korte pauzes, verhogen de kans op RSI aanzienlijk. Om dit risico te
beperken moet niet alleen de werknemer op zijn houding letten, maar is volgens
de SP ook een andere houding nodig van de werkgever. Deze zal erop moeten toezien
dat de noodzakelijke pauzes genoten kunnen en zelfs móeten worden. En
zelfs een andere houding van de wetgever is nodig, omdat effectieve controle
door de Arbeidsinspectie op het pauze- en werktijdenbeleid, ter voorkoming van
RSI, een wijziging van de wettelijke regels nodig maakt. De SP doet hiertoe een
voorstel in dit rapport.
Het NIPO heeft in opdracht van de SP reeds de mening van de Nederlandse werknemers
gepolst en we mogen vaststellen dat een meerderheid voorstander is van de voorgestelde
wijziging in de regelgeving.
We pretenderen geenszins dat ons voorstel alleenzaligmakend is. De bedoelde wijziging
in de regelgeving zal slechts een kleine stap zijn aan het begin van een proces.
Het voorkómen van RSI heeft waarschijnlijk veeleer een mentaliteitsverandering
nodig, maar we hopen met ons voorstel daaraan een bijdrage te leveren. Een mentaliteitsverandering
van de werknemer wordt ermee ondersteund, doordat een verantwoorde manier van
werken ook controleerbaar is, en een mentaliteitsverandering bij de werkgever
kan hiermee desnoods afgedwongen worden.
Daarnaast beperkt ons voorstel zich tot beeldschermwerkers, terwijl er beroepsgroepen
zijn met een nog hoger RSI-risico maar waarvoor beduidend minder aandacht bestaat.
Voor al die beroepsgroepen zullen ook nadere maatregelen genomen moeten worden.
We kunnen daarbij wellicht leren van de maatregelen voor beeldschermwerkers die
reeds genomen zijn en die nog genomen moeten worden. Wij zullen in elk geval
niet ophouden hierover na te denken.
Juni 2000,
Jan de Wit, lid van de Tweede Kamer voor de SP
Tuur Elzinga, medewerker Tweede-Kamerfractie SP
Repetitive Strain Injury (RSI) is een verzamelnaam voor (pijn)klachten in hand,
pols, arm, nek of schouders, die het gevolg zijn steeds herhaalde bewegingen
vanuit dezelfde (statische) houding. De muisarm is de bekendste vorm van RSI
en in de volksmond synoniem daarvoor. Dit is echter niet juist, want bij RSI
is er in veel gevallen sprake van klachten aan de schouder of nek, in plaats
van aan de arm. De benaming muisarm is feitelijk ook niet juist, omdat bij beeldschermwerkers
die niet met een muis werken net zo vaak RSI voorkomt als bij computergebruikers
die wel zon apparaatje hanteren. RSI komt daarnaast ook bij andere beroepsgroepen
voor, zoals bij kappers, kleermakers, loodgieters, lassers en musici.
De medische wetenschap is wat RSI betreft nog niet heel ver gevorderd. Men weet
inmiddels dat de aandoening veel te maken heeft met spierspanning en de doorbloeding
van de spieren. Het syndroom treft behalve spieren ook pezen, zenuwen en kapsels.
In sommige gevallen kan er een bursitis, tendinitis, carpaaltunnelsyndroom, frozen
shoulder syndroom of een andere aandoening vastgesteld worden, maar vaak is het
beeld heel diffuus en is medische diagnose moeilijk. Een diagnose RSI is ook
nog lang niet altijd onomstreden. Er zijn tot dusverre in Nederland maar weinig
specialisten die zich bezighouden met wetenschappelijk onderzoek naar de medische
oorzaken van RSI of naar herstel ervan. Vanwege dit relatieve gebrek aan medische
kennis wagen veel artsen zich (nog) niet aan een diagnose RSI. Een - gelukkig
afnemend - aantal medici is helemaal onbekend met het fenomeen RSI of gelooft
er niet in. Een aantal voorbeelden hiervan komen schrijnend tot uitdrukking in
ervaringen die patiënten zelf beschrijven.
Waar inmiddels wel duidelijkheid over bestaat, is de algemene overeenkomst in
de symptomen en het verloop van RSI. Meestal begint het met een tintelend, zwaar
of vervelend vermoeid gevoel in hand, pols, arm, nek of schouder. Na het werk
of in een pauze gaat dit weer over. Dit gevoel kan vervolgens erger worden en
overgaan in een tintelende, brandende, stekende of juist doffe pijn, die ook
na het werk niet meer wegtrekt. Uiteindelijk kan de kracht in hand en arm afnemen
en kan er zelfs functievermindering optreden. De klachten zijn in de eerste fase
nog vrij eenvoudig te negeren, zodat nog wel kan worden doorgewerkt. Toch moet
meteen aandacht aan de klachten worden geschonken, want juist in fase 1 is RSI
nog vrij goed te bestrijden. Genezen is relatief gemakkelijk en erger kan vrij
eenvoudig worden voorkomen. In de volgende fasen is bestrijding van de klachten
veel moeilijker. Het verloop tussen de eerste en de derde (meest ernstige) fase
kan heel snel gaan. Eenmaal beland in fase 3 is het werk vrijwel onmogelijk geworden.
Hoe langer de klachten aanhouden, hoe lastiger het wordt er weer vanaf te komen.
Zoals gezegd bestaat er een tamelijk groot verschil tussen de ernst van de klachten bij beginnende en gevorderde RSI. Van wat vermoeide of pijnlijke spieren kunnen de klachten oplopen tot een niveau waarbij het onmogelijk is om een jampot open te draaien, af te wassen of soms zelfs een kopje vast te houden. Hetzelfde werk blijven doen wordt gaandeweg onmogelijk, terwijl het maar de vraag is of er ander werk is dat wel is vol te houden. Een bijkomende complicatie is dat, door de ingewikkelde diagnose, RSI lang niet altijd wordt (h)erkend door een keuringsarts en er daarom geen WAO-uitkering wordt verstrekt. Omdat een gebrek aan inkomen stress oplevert en omdat stress een factor is die RSI bevordert en herstel bemoeilijkt, vertraagt hierdoor het herstel. De geringe mogelijkheid om te werken, of zelfs het huis een beetje op orde te houden of sociale contacten te onderhouden, vergroot eveneens de stress. Uiteindelijk kan iemand met RSI door de combinatie van chronische pijnklachten en een sombere herstelprognose in een (sociaal) isolement of zelfs een depressie geraken.
Met name het toenemend computergebruik en de hoge werkdruk hebben een snelle
stijging van het aantal RSI-patiënten tot gevolg. RSI-klachten zijn niet
altijd (geheel) op het conto van het werk te schrijven, maar volgens TNO Arbeid
heeft onderzoek wel uitgewezen dat 26,7 procent van het kantoorpersoneel in Nederland
arbeidsgebonden RSI-klachten heeft. Het meest recente onderzoek van TNO Arbeid
laat zien dat langdurige of regelmatig terugkerende RSI-klachten (de meer ernstige
dus) bij 20 procent van de werknemers (= 1,2 miljoen personen) voorkomt en zelfs
bij 31 procent van secretaresses en typisten.
Zoals gezegd komt RSI ook voor bij andere beroepsgroepen, zoals bij naaisters,
kappers of lopende-bandwerkers. De overeenkomst is dat vanuit een langdurige,
statische (slechte) werkhouding repeterende, veelal kleine, bewegingen worden
gemaakt. De aard van de bewegingen geeft de spieren doorgaans in absolute zin
geen grote inspanningen te verduren, maar staat ze ook niet toe zich te ontspannen.
Het resultaat is een bijna permanente lage spierspanning, waardoor ontspannen
steeds moeilijker wordt. De aandacht voor RSI gaat echter voor het grootste deel
uit naar beeldschermwerkers, omdat dit in absolute zin verreweg de grootste en
bovendien groeiende risicogroep is. Het aantal werknemers dat regelmatig achter
een beeldscherm zit is, blijkens de arbo-balans 1999, van 1996 tot 1998 gestegen
van 38 procent tot 43 procent. Al met al is computergebruik een risicofactor
van betekenis. Uit NIPO-onderzoek, in opdracht van de SP gedaan, blijkt dat werknemers
die meer dan 20 uur per week achter de computer werken, bijna drie maal zo vaak
aangeven RSI-klachten te hebben dan de werknemers die niet of nauwelijks met
een computer werken.
De belangrijkste risicofactoren bij het ontstaan van RSI zijn: een lange werkduur,
een hoge werkdruk, een slechte werkplek, een verkeerde werkhouding (zowel fysieke
als mentaal: perfectionistische harde werkers hebben meer kans op RSI) en een
negatieve werksfeer. Het zijn met name deze factoren die leiden tot een verhoogde
(structurele, statische) spierspanning die uiteindelijk weer leidt tot RSI. Statistisch
is volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek het oorzakelijk verband met
de lichamelijke werkbelasting het meest duidelijk. Specifieker: langdurig met
het bovenlichaam in dezelfde houding werken vergroot de kans op RSI met een factor
2,5. De factor werkdruk zou vooral in een grotere RSI-kans worden vertaald doordat
er vaker pauzes worden overgeslagen. Werkdruk zelf is zeer complex en moeilijk
te bestrijden, maar het overslaan van pauzes is natuurlijk heel concreet en kan
met relatief eenvoudige maatregelen worden tegengegaan.
Preventief is er een heleboel aan RSI te doen. Een ergonomisch verantwoorde
werkplek is een eerste vereiste. Vervolgens moet ook met een goede houding gewerkt
worden. Voorlichting daarover is dus een tweede must. Hoge werkdruk, bijvoorbeeld
als gevolg van een naderende deadline, is minder eenvoudig aan te pakken. Toch
kan bijvoorbeeld het non-stop doorwerken achter de computer wel worden bestreden,
namelijk met afwisseling van het werk en met pauzes. Ook de werkduur kan uiteraard
worden beïnvloed.
De website van het ministerie van SZW waarschuwt dat wanneer afwisseling van
de werkzaamheden niet mogelijk is, na één uur beeldschermwerk ten
minste tien minuten pauze moet worden genomen, zodat de spieren weer de kans
krijgen om even te ontspannen. Het maximum aan beeldschermwerk per dag mag niet
meer dan vijf tot zes uur zijn. Uit het meest recente onderzoek van TNO Arbeid
blijkt dat er bij de onderzochte vrouwen een duidelijk verband bestaat tussen
RSI-klachten en meer dan vier uur per dag beeldschermwerk verrichten. Verder
is het goed tussen het beeldschermwerk door zogenaamde micropauzes in te lassen.
In heel korte pauzes kunnen de spieren niet echt ontspannen, maar kan het patroon
van permanente belasting toch doorbroken worden. Het effect kan verbeterd worden
door een paar korte oefeningen te doen om de bloedsomloop in de spieren te stimuleren.
Wanneer er eenmaal sprake is van RSI, dan is het belangrijk dat er zo spoedig
mogelijk wordt gehandeld. In het begin is RSI nog vrij goed te behandelen. Een
snelle bewustwording van verantwoord werken kan, samen met therapeutisch begeleiding,
het schip nog keren. Van de vele therapieën die bij de bestrijding van RSI
worden aangewend, is niet in ieder geval even duidelijk wat de genezende werking
is. Met name fysiotherapie en houdingstherapieën zijn het meest gangbaar.
Bij een verder gevorderde RSI gaat herstel zeer moeizaam. Een multidisciplinaire
aanpak, waaronder werkhervatting op zeer voorzichtige therapeutische basis, kan
dan nog wel verlichting bieden, maar dit leidt lang niet altijd tot volledig
herstel. Veelal lukt het wel om vanuit een derde-fase RSI weer terug te komen
in de tweede fase met een enigszins draagbaar pijnniveau, maar helemaal verdwijnen
doen de klachten dan nog maar zelden. Kortom, de behandeling wordt gedurende
het verloop steeds moeilijker. Het is dus zaak om in het vroegst mogelijke stadium
in te grijpen. En voorkomen is beter dan genezen!
Er bestaan arbo-normen voor de ergonomisch verantwoorde inrichting van de werkplek
en de arbeidsinspectie kan de naleving hiervan ook controleren. Een juiste werkhouding
en werksfeer zijn helaas nauwelijks controleerbaar. In het arbeidsomstandighedenbesluit
staan weer wel wettelijke bepalingen omtrent beeldschermwerktijden en pauzes.
Per dag mag er maximaal vijf à zes uur beeldschermwerk worden gedaan en
maximaal twee uur aan één stuk. Als het werk niet na maximaal twee
uur kan worden afgewisseld met andere werkzaamheden, dan moet er een pauze van
tenminste tien minuten worden ingelast en die pauze telt dan ook mee als werktijd.
De naleving van deze bepalingen is door de arbeidsinspectie nauwelijks te controleren.
In de praktijk blijkt ook dat ze veelal niet worden nageleefd. Een enquête
van FNV Bondgenoten wees uit dat bijna de helft van de respondenten meer dan
zes uur beeldschermwerk per dag deed en meer dan de helft regelmatig een pauze
oversloeg. Op twee van de belangrijkste RSI-risicos, namelijk de werkduur
en de werkdruk, is dus wel een arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing, maar
de naleving daarvan kan nauwelijks worden afgedwongen. Daar zit dus een duidelijk
manco.
Momenteel wordt ook in een aantal branches gewerkt aan zogenaamde arbo-convenanten.
Een aantal daarvan heeft ook specifiek betrekking op RSI. Het aantal personen
dat onder gelding van deze convenanten werkt, bedraagt 164.000. Geen verwaarloosbaar
aantal, maar vergeleken met een risicopopulatie van 2,5 miljoen werknemers helaas
onvoldoende. Het werken met convenanten leidt bovendien tot een verschillende
behandeling van werknemers. Iedereen die buiten het bereik van het convenant
valt, geniet ook niet de bescherming ervan. Daarnaast is het de vraag of de bescherming
die het convenant biedt, wel voldoende is. Convenanten op andere terreinen hebben
al laten zien dat normen die uit het oogpunt van gezondheid en veiligheid van
werknemers gehanteerd zouden moeten worden, verruimd zijn om aan de werkgeversbelangen
tegemoet te komen. Convenanten zijn immers per definitie afspraken tussen werknemers
en werkgevers. Daarom pleit de SP voor wettelijke maatregelen, in plaats van
de preventie van RSI uitsluitend over te laten aan de goede wil van de partijen
in een sector.
Als hulpmiddel bij de controle van de gewerkte uren achter de computer heeft
FNV Bondgenoten een beeldschermtachograaf ontwikkeld - vergelijkbaar met de tachograaf
voor chauffeurs die moet waken over het naleven van het Rijtijdenbesluit. De
FNV-beeldschermtachograaf kan de beeldschermwerktijd registreren en biedt daarmee
ook de mogelijkheid tot effectieve beperking van die tijd. Theoretisch maakt
dit controle op de naleving van het arbeidsomstandighedenbesluit op dit punt
mogelijk.
Registratie van de beeldschermwerktijden is echter niet verplicht, waardoor controle
door de Arbeidsinspectie nagenoeg onmogelijk is. Bovendien erkent de Arbeidsinspectie
de beeldschermtachograaf niet als handhavingsinstrument.
De SP stelt daarom voor om tot een nieuw beeldschermtijdenbesluit te komen, waarin
voor werkgevers een verplichting wordt opgenomen het aantal uren bij te houden
dat hun werknemers achter computers doorbrengen. Dit maakt de broodnodige handhaving
ook daadwerkelijk mogelijk en zelfs tamelijk eenvoudig. De registratie kan met
behulp van de FNV beeldschermtachograaf plaatsvinden, maar ook met andere middelen.
De kern is dát er registratie gaat plaatsvinden. De uitwerking van dit
voorstel kan op meerdere manieren plaatsvinden: het zou kunnen via een wetswijziging,
maar het meest eenvoudig is waarschijnlijk een aanpassing van het arbeidsomstandighedenbesluit.
Concreet stelt de SP dus voor om in het arbeidsomstandighedenbesluit een verplichte
beeldschermurenregistratie op te nemen, zodat de bepalingen over de maximale
beeldschermwerktijden niet langer slechts een dode letter zijn.
Verder pleit de SP voor een aanscherping van de huidige normen voor beeldschermwerk.
Als onderzoek aantoont dat na ieder uur een pauze van tien minuten dringend is
gewenst - zoals onder andere staat te lezen op de website van het ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en zoals zelfs in de toelichting op het
arbeidsomstandighedenbesluit het uitgangspunt is - dan moet dit ook de norm zijn
in het arbeidsomstandighedenbesluit zelf. En niet tien minuten pauze na twee
uur beeldschermwerk. Twee uur non-stop beeldschermwerk is onverantwoord lang
en twee keer vijf minuten pauze per twee uur biedt onvoldoende garantie dat de
spieren echt kunnen ontspannen. Een pauze moet tien minuten duren, zo staat wederom
te lezen in de toelichting op het arbeidsomstandighedenbesluit.
Tevens moet het mogelijk worden om voor bepaalde gevallen afwijkende normen te
stellen. In geval van reïntegratie na RSI is bijvoorbeeld een uur achter
elkaar doorwerken al te lang. In andere bijzondere gevallen is misschien zes
uur per dag nog te veel. Op de situatie aangepaste normen moeten ook gehandhaafd
kunnen worden en ook hierbij kan de beeldschermtachograaf effectief ingezet worden.
In opdracht van de SP heeft het NIPO de houding van de Nederlandse werknemer
ten aanzien van de FNV beeldschermtachograaf en ten aanzien van het SP-voorstel
onderzocht. Zowel de beeldschermtachograaf als instrument, als het voorstel tot
een verplichte registratie van de beeldschermuren krijgen een opvallend grote
steun. Zon 70 procent van de werknemers vindt de beeldschermtachograaf
een goed idee en zon 60 procent vindt dat er een wettelijk verplichte registratie
er moet komen. Slechts een kwart is het daar niet mee eens.
Naarmate men meer uren achter een beeldscherm zit, blijkt men er een duidelijker
mening over de beeldschermtachograaf en het SP-voorstel op na te houden. De steun
voor beide neemt aanvankelijk toe naarmate er langer op de computer wordt gewerkt,
maar op een bepaald moment vindt er een frappante omslag plaats. Bij de groep
die het meest achter de computer zit - en dus het meeste baat zou hebben bij
de tachograaf en urenregistratie om RSI te voorkomen - blijkt de steun hiervoor
het laagst, al is nog steeds een meerderheid voorstander. Een grote minderheid
lijkt hier te (willen) denken dat het allemaal zon vaart niet zal lopen.
Echter, onder de meest frequente computergebruikers is ook het aantal mensen
het grootst dat zelf kampt met RSI-klachten of mensen kent die last hebben van
RSI. Bij werknemers met RSI-klachten is de steun voor een wettelijk verplichte
registratie wel weer merkbaar groter. Zeventig procent van de zogenaamde ervaringsdeskundigen,
de groep mensen die weet dat je RSI zeer serieus moet nemen, steunt het SP-voorstel.
Opvallend is dat de beeldschermtachograaf onder de aanhang van bijna alle politieke
partijen ongeveer gelijk scoort, terwijl het SP-voorstel om tot een wettelijke
registratie te komen een duidelijk grotere steun krijgt van de linkse kiezers
dan van de rechtse. De achterbannen van VVD, CDA en de christelijke partijen
steunen voor 50 tot 55 procent het voorstel, die van D66 voor bijna 60 procent
en de aanhang van PvdA, GroenLinks en SP respectievelijk 67, 68 en 69 procent.
De SP zal zich de komende periode gaan inzetten om haar voorstel een wettelijke
status te geven. In eerste instantie zal aan de staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid gevraagd worden om te bezien of een aanpassing van het
arbeidsomstandighedenbesluit in bovengenoemde zin mogelijk is. Mocht een reactie
van de staatssecretaris uitblijven, dan zullen we aandringen op een uitspraak
van de Kamer op dit punt.
Een bijkomend voordeel van een verplichte registratie is dat er meer kennis over
RSI en beeldschermwerk kan worden ontwikkeld. Dit is van groot belang om de normen
voor specifieke gevallen en speciale situaties adequater te kunnen stellen. De
SP wil er dan ook voor pleiten de statistische informatie die dankzij de verplichte
registratie verzameld kan worden, ook te benutten voor verdere verbetering van
RSI-preventiemaatregelen.
Daarnaast is er ook meer medische kennis van RSI nodig. Er moet meer onderzoek
gedaan worden naar de medische oorzaken van het syndroom en ook naar de beste
manieren om tot herstel te komen. We kunnen niet berusten in de huidige hoge
aantallen RSI-patiënten. De SP wil daarom ook de regering oproepen om ruimhartig
RSI-onderzoek te financieren.
Zodra er wetenschappelijk meer bekend is over reïntegratie van RSI-patiënten,
moet dit ook leiden tot een keurmerk voor RSI-reïntegratie. Want momenteel
valt te vrezen dat lang niet alle herstel- en reïntegratieprogrammas
die voor RSI-patiënten worden aangeboden, ook daadwerkelijk in het belang
zijn van (het herstel van) die groep. Op een zich snel ontwikkelende commerciële
reïntegratiemarkt waar de werkgevers voor de reïntegratie betalen
is de kans groot dat een snelle reïntegratie voorrang krijgt boven
een goed en zo mogelijk permanent herstel. Nu al zie je regelmatig advertenties
voor reïntegratie van RSI-patiënten die wonderbaarlijk snel zou kunnen
plaatsvinden. Het is mooi als het mogelijk is, maar de wetenschappelijke scepsis
is groot.
Verder is het van groot belang om ook bij alle overige beroepsgroepen waarvan
een risicoinventarisatie uitwijst dat er een verhoogd RSI-risico bestaat, onderzoek
te doen naar wat nog een aanvaardbare en verantwoorde belasting is. De ervaring
die wordt opgedaan bij het wettelijk vastleggen van de normen voor beeldschermwerk
en de handhaving daarvan, kan worden gebruikt om ook voor deze beroepsgroepen
heldere wettelijke richtlijnen op te stellen.
Er zou in ieder geval gedacht moeten worden over het normeren en effectief handhaven
van de werktijd achter de kassa en de lopende band en de effectieve kniptijd
van kappers en kleermakers, om maar enkele voorbeelden te noemen.
RSI is, zoals gezegd, het op een na grootste arbo-risico van de toekomst en is
daarmee te belangrijk om niet uitgebreid bij stil te staan. RSI komt te vaak
voor, het moet voorkómen worden. Om te beginnen moet RSI achter de schermen
vandaan!
Er moet in het arbeidsomstandighedenbesluit een verplichting voor werkgevers
worden opgenomen om de gewerkte beeldschermtijd van de werknemers te registreren,
zodat een effectieve handhaving door de Arbeidsinspectie van de wettelijke normen
voor beeldschermwerktijden mogelijk wordt.
De huidige normen voor beeldschermwerk moeten worden aangepast aan hetgeen volgens
de huidige stand van de ergonomische wetenschap verantwoord is en de gezondheid
niet bedreigt. In ieder geval moet artikel 5.10 van het arbeidsomstandighedenbesluit
worden aangepast aan de toelichting op dat besluit, in die zin dat er maximaal
één uur onafgebroken beeldschermwerk mag worden verricht. Daarna
dient het werk afgewisseld te worden of onderbroken door een pauze van ten minste
tien minuten.
Verder onderzoek naar de medische oorzaak en het herstel van RSI is nodig en
moet worden gestimuleerd en gefinancierd.
Op basis van verder onderzoek moet er een richtlijn en mogelijk een keurmerk
komen voor RSI herstel- en reïntegratieprogrammas en therapieën.
Voor andere beroepsgroepen met verhoogd RSI-risico moeten er zo spoedig mogelijk
ook wettelijke belastings- en arbeidsduurnormen en handhavingsprocedures worden
afgesproken.
Het rapport RSI achter de schermen omvat naast
bovenstaande tekst nog een bijlage met persoonlijke verhalen van RSI-patiënten,
een bijlage met het NIPO-rapport en een aantal kaders met feiten en bronnen over
RSI en de arbo-wetgeving.
Een gedrukt exemplaar kun je online bestellen op de pagina Rapporten.