De financieel-economische crisis is vaak toegeschreven aan onverantwoord gedrag van banken en gebrekkig toezicht daarop. Dat speelt inderdaad een rol, maar de oorzaken van de crisis liggen dieper. Door forse wijziging van de macro-economische inkomensverdeling in de VS en de EU-landen vanaf 1980, ontwikkelde zich een potentiële economische stagnatie. De effectuering ervan werd vooruitgeschoven door de wijze waarop de banken opereerden. Nu daar een eind aan lijkt te komen, dient de stagnatie zich aan.
Loonmatiging zonder investeringsstijging
Met de recessie van begin jaren 1980 ontstond in de VS en de EU-landen massale werkloosheid. Deze bracht een verschuiving in de machtsverhouding tussen werkgevers en werknemers, waardoor loonstijgingen voortdurend achterbleven bij de arbeidsproductiviteitsstijging. Dit zien we weerspiegeld in de daling van het arbeidsinkomensaandeel in het bruto binnenlands product (BBP). Deze arbeidsinkomensquote daalde in de VS en de EU-landen de afgelopen 30 jaar met 12-15%. De bruto kapitaalinkomensquote steeg met 35%. Dit resulteerde echter niet in relatieve stijging van de investeringen. In tegendeel: de bruto investeringsquote daalde met 12-16%. Dit is opmerkelijk omdat de “noodzaak” van loonmatiging steeds gepropageerd werd vanwege investeringsstijging. Werknemers matigden dus de lonen terwijl werkgevers geen overeenkomstige investeringsstijging realiseerden. De grafieken tonen deze ontwikkeling. We zien dat er in de EU-landen een fors “gat” ontstond tussen kapitaalinkomen en investeringen, terwijl in de VS het al bestaande gat groter werd.


Relatieve loondaling en consumptiestijging
Onder “normale” omstandigheden resulteert relatieve loondaling in relatieve consumptiedaling. Bij de voortdurend forse dalingen van de arbeidsinkomensquote (AIQ) die we in de VS en, nog forser, in de EU zagen, zou een overeenkomstige daling van de consumptiequote dan tot stagnatie leiden: loondaling leidt tot consumptiedaling, daardoor productiedaling en investeringsdaling met ontslagen; vervolgens nog verdere consumptiedaling, enzovoorts. Echter, de omstandigheden waren niet “normaal”. Zie de grafieken: in de EU-landen daalt het relatieve loon (de AIQ) vanaf 1975/1981 voortdurend, maar de consumptie blijft vrij stabiel! Dit is voor slechts een betrekkelijk gering deel te verklaren uit stijging van consumptie uit winstinkomen. De verklaring ligt in de combinatie van dalende besparingen met stijging van consumptieve kredietverlening. In de VS zien we bij relatieve loondaling zelfs een enorme consumptiestijging! Maar ook in de EU zien we de afgelopen 10 jaar een consumptiequote die net boven de arbeidsinkomensquote uitsteekt.
Kolonisering van de toekomst
De relatieve lonen dalen, de besparingen drogen op, en de banken waren zo vriendelijk om bij te springen met consumptieve kredieten: direct via consumptieve leningen; indirect via hypothecair bijlenen op de overwaarde van woningen. Werknemers konden daarmee de consumptie op peil houden en zelfs laten stijgen. Zo werd tevens een algemene economische stagnatie verhinderd.
Maar leningen kosten rente, en ooit moeten ze worden terugbetaald. Banken, en via hen andere kredietverschaffers, leggen zo een claim op toekomstige lonen. We zien dus een “kolonisering van de toekomst”. De vanaf 1980 relatief dalende lonen zijn “gecompenseerd” door krediet. Maar daardoor zullen de besteedbare lonen in de toekomst lager zijn. De stagnatie werd zo vooruitgeschoven.
Samenloop van belangen
Door een samenloop van diverse belangen leek het tot voor kort allemaal te passen.
Dit artikel stond in het Financieele Dagblad van 21 augustus 2010
Teken ook het manifest
‘1 voor allen’