www.sp.nl

Homepage SPSP.nl
SP :: Publicaties :: Opinies

Hoeveel vrijheid verdraagt de gemeenschap?

Als kind van mijn tijd, houd ik van mijn vrijheid. Maar liefde maakt ook blind. Zij die houden van onze vrijheid zijn soms geneigd haar kritiekloos te omarmen. Een mooi voorbeeld is het boek Ode aan de vrijheid dat de VVD in 2004 uitbracht, waarin liberalen van nu hun vrijheidsstrijders uit het verleden eren. Veel actuele filosofen verdedigen volgens de VVD de vrijheid, zoals Fukuyama, Rawls en Berlin. Maar ook grote denkers uit het verleden, zoals Spinoza, Locke en Kant, zouden dat hebben gedaan. Daarmee annexeert de VVD zo’n beetje de hele Verlichtingsfilosofie. Het is echter de vraag of de liberalen zichzelf daarmee niet in de voet schieten.


Ronald van Raak is lid van de Tweede Kamer voor de SP

In het boek roemt Paul Cliteur Immanuel Kant terecht als een grondlegger van het Verlichtingsdenken. Hij citeert daarbij het wat pamflettistische Wat is Verlichting? uit 1784. Maar Kants filosofie goed tot zich laat doordringen moet tot de conclusie komen dat hij vooral diep worstelde met dit begrip.

In de Kritiek van de praktische rede uit 1788 vraagt hij zich bijvoorbeeld af hoe de individuele vrijheid zich verhoudt tot de noodzakelijkheid van de wereld waarin wij leven. Als ons denken en doen wordt bepaald door gedachten en gebeurtenissen uit het verleden, hoe kunnen wij ons dan vrij noemen? Die vrijheid is volgens Kant dan de vrijheid van een marionet, de keuze om te doen wat de poppenspeler bepaalt. Daarbij doet Kant een beroep op een bijzondere bondgenoot. Tegenover de causaliteit van de wereld kan alleen God de vrijheid van de mens redden. Dat moet de verklaarde atheïst Cliteur toch aan het denken zetten.

Jozias van Aartsen blijft dichter bij de politiek en kiest voor Johan Rudolph Thorbecke. Maar juist deze grondlegger van het liberalisme in Nederland had een uitgesproken afkeer van het vrijemarktdenken. Thorbecke was in veel opzichten een typische negentiende-eeuwse romantische denker, die beklemtoonde hoe nauw het individu was verbonden met de samenleving. Mensen waren volgens Thorbecke onderdeel van het ‘levensbeginsel’ van hun tijd en dat levensbeginsel was - opnieuw - verbonden met God. Voor deze vermeende leermeesters van het liberalisme kan alleen God werkelijk vrij zijn. Ik noem deze voorbeelden niet om aan te tonen dat VVD’ers hun klassieken niet kennen – dat laatste is evident. Belangrijker is dat deze ‘vrijheidsstrijders’ een goed oog hadden voor de beperkingen van het vrijheidsideaal.

De VVD heeft een minder naïef beeld van vrijheid dan het boek Ode aan de vrijheid suggereert. De partij was in de kabinetten-Kok en de eerste drie kabinetten-Balkenende een warme pleitbezorger van de politiek van meer markt en minder overheid. Maar in liberale kringen is ook oog voor de negatieve kanten van de terugtredende overheid. Dit geldt in elk geval voor de commissie onder leiding van Geert Dales die in 2005 een nieuw beginselprogramma voor de VVD vaststelde. In dit Liberaal Manifest Om de vrijheid, wordt het geloof in de vrije markt deels ingeruild voor het vertrouwen in de sterke arm van de staat: een ministerie van Veiligheid, een DNA-bank, een centraal politiebestel en vele andere regels en organisaties moeten ons land veiliger maken. Een belangrijke aanbeveling om het terrorisme te bestrijden is de oproep aan autoriteiten om ‘volharding, vastberadenheid en duidelijkheid’ uit te stralen.

Links en de vrijheid
Vrijheid is niet alleen van rechts, maar zeker ook van links. Wouter Bos schreef in aanloop naar de verkiezingen van 22 november in zijn boek Dit land kan zoveel beter (2006), dat de PvdA wat hem betreft teveel de Partij van de Gelijkheid was geworden, terwijl de sociaal-democratie de ‘kampioen van de vrijheid’ zou moeten worden. ‘Wij verdedigen een vrijzinnige moraal’, aldus het nieuwe PvdA-beginselprogramma van 2005. Bos stelt daarin dat opnieuw aandacht moet worden besteedt aan versterking van de publieke moraal, maar waarschuwt in dit verband voor paternalisme van de overheid.

Deze visie is niet onomstreden. Kritiek kwam er bijvoorbeeld vanuit de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA. Toenmalig directeur Paul Kalma klaagde in Links, rechts en de vooruitgang (2006) dat de PvdA de banden met de traditie van de sociaal-democratie had doorgesneden, waardoor de partij in technocratisch vaarwater was gekomen. Een sociaal-democratische partij moest volgens hem niet alleen de vrijheid prediken, maar vooral oog hebben voor de voorwaarden die vrijheid voor mensen mogelijk maken.

De eigen vrijheidsopvatting van de sociaal-democraten werd volgens Kalma in het verleden gebruikt om de beperkingen van de liberale maatschappijvisie aan de kaak te stellen: ‘Centraal daarbij stonden: een eerlijke verdeling van kansen, de maatschappelijke voorwaarden waaronder individuele vrijheid gedijt, de richting waarin de vrijheid wordt aangewend.’ Bos heeft zich deze kritiek aangetrokken. Misschien door de electorale druk van de SP beklemtoonde hij in aanloop naar de verkiezingen van afgelopen november dat hij naast de vrijheid opnieuw de noodzaak ziet van saamhorigheid en solidariteit. Partij-ideoloog Kalma is na de verkiezingen lid geworden van de Tweede Kamerfractie van de PvdA.

Femke Halsema publiceerde met haar wetenschappelijk bureau het boek Vrijheid als ideaal (2005). Daarin stelt de leider van GroenLinks dat zij een afkeer heeft van het ‘toenemende staatspaternalisme’ en van ‘bevoogdende staatsarrangementen’. Zij vindt dat GroenLinks de partij van de vrijzinnigheid moet zijn. Maar deze keuze voor vrijheid is ook binnen deze partij niet onomstreden. Halsema wil dit jaar een discussie voeren of haar vrijzinnige koers de juiste is. Maar zij bleef de kritiek daarmee niet voor. Zo schreef senator Jos van der Lans in De Helling van herfst 2005 dat de term ‘vrijzinnig’, in tegenstelling tot bijvoorbeeld ‘groen’, een politieke partij weinig houvast biedt. Zij zegt iets over de voorliefde voor open en creatief debat, een liefde die alle linkse partijen delen, maar erg weinig over de politieke keuzes die een partij moet maken. Van der Lans kan ook niet instemmen met de afkeer die Halsema heeft van het recente waarden en normen-debat.

In de SP merk ik op dit moment weinig aandrang tot een politieke koerswijziging. Binnen de partij wordt veel gediscussieerd, bijvoorbeeld over de NAVO en de monarchie, maar niet over de noodzaak van meer vrijheid of vrijzinnigheid. Wél is er vaak morele kritiek te horen op het vrijemarktdenken.

Het beginselprogramma Heel de mens uit 1999 bevat een paragraaf met de titel ‘De vrije markt maakt mensen niet vrij’:

‘De volledige vrijheid van ondernemingen leidt ertoe dat wereldwijd miljoenen mensen hun leven in onvrijheid moeten doorbrengen, uitgebuit, onderdrukt, ondervoed, onderontwikkeld. Grote morele vraagstukken omtrent de kwaliteit van het leven, het respect voor dieren, de maakbaarheid van genetisch materiaal, om er slechts enkele te noemen, zijn bij de vrije markt in verkeerde handen, omdat de markt geen moraal kent. Hetzelfde geldt voor de steeds urgenter wordende problemen van natuurvernietiging, milieuvervuiling, roofbouw en verspilling van grondstoffen.’

Van individu naar gemeenschap: Halsema, Bos, Wilders
Is een gemeenschap een samenwerkingsverband van vrije individuen, of kan het vrije individu pas tot ontplooiing komen in een gemeenschap? Een aantal leiders van de huidige politieke partijen heeft de afgelopen jaren boeken geschreven, waarin zij hun positie hebben uiteengezet. Daarbij is sprake van een opmerkelijke tweedeling, tussen politici die meer geneigd zijn om te redeneren vanuit het individu, en degenen die eerder vertrekken vanuit de gemeenschap. Femke Halsema, Wouter Bos en Geert Wilders zijn politiek zeer uiteenlopende figuren, maar zien alledrie de gemeenschap als een verbond van vrije individuen.

In Vrijheid als ideaal (2005) schreef Femke Halsema het hoofdstuk ‘Een linkse lente’, waarin zij een nieuwe politieke koers uitzette voor GroenLinks. In dit stuk kiest zij voor een liberale opvatting van vrijheid, waarbij de overheid vooral tot taak heeft om belemmeringen op te ruimen voor individuen, die vervolgens in vrijheid een gemeenschap vormen: ‘Individuele autonomie vereist dat de overheid sociaal-economische belemmeringen voor zelfontplooiing zo veel mogelijk opruimt. Daarvoor zijn staatsinterventies onontbeerlijk, maar de aantrekkelijkheid van vrijzinnig links is niet gelegen in restauratie van de verzorgingsstaat of enkel in de bescherming van “de verworven (pensioen)rechten” van oudere werknemers. De huidige verzorgingsstaat kweekt afhankelijkheid en inactiviteit door de traditionele nadruk op inkomenssteun. Veel te weinig wordt een beroep gedaan op het sociale engagement van mensen, op hun behoefte zichzelf en de samenleving te ontwikkelen… In een moderne en geïndividualiseerde samenleving moeten juist voor jonge en kwetsbare mensen de arbeidsmarkt en de werktijden verregaand worden geflexibiliseerd.’

In het hoofdstuk ‘Wat mensen bindt’ in Dit land kan zoveel beter (2006) kiest ook de PvdA-leider Wouter Bos voor een individuele benadering, en neemt hij afscheid van de opvatting dat solidariteit een morele noodzaak is. Het draagvlak voor sociale zekerheid kan volgens Bos alleen worden verzekerd als mensen er ook direct van profiteren: ‘Ik moest in Engeland een lezing houden over solidariteit. Ik wilde een mooi zinnetje uit ons beginselprogramma gebruiken: “Solidariteit gedijt op een stevige ondergrond van saamhorigheid en lotsverbondenheid.” We bedoelden daarmee te zeggen dat solidariteit alleen beklijft als mensen een gemeenschappelijk belang hebben (lotsverbondenheid) en een zekere affiniteit met elkaar hebben (saamhorigheid). Dat is geen onomstreden stelling, omdat anderen solidariteit toch vooral zagen als een morele noodzaak: je moet kwetsbaren helpen omdat het goed is, ongeacht het belang dat je daarbij hebt. (…) Een overheid waar iedereen aan meebetaalt en waar iedereen ook iets van terugkrijgt, werkt bindend.’

Door zijn beroep op de joods-christelijke traditie van Nederland, lijkt Geert Wilders op het eerste gezicht een gemeenschapsdenker. Hij stelt beperkingen aan de vrijheid van moslims, omdat de islam wezensvreemd zou zijn aan deze traditie. Voor niet-moslims predikt Wilders echter een individualistisch vrijheidsideaal, zoals blijkt uit zijn boek Kies voor vrijheid (2005): ‘Maar ik wil burgers vooral weer de macht en de ruimte teruggeven om hun eigen leven onafhankelijk vorm te geven. En met ruimte bedoel ik vooral financiële ruimte. Ik ben dus voor forse belastingverlaging, zowel voor particulieren als voor bedrijven… Het ten onrechte veel geprezen “Rijnlandse model” heeft ervoor gezorgd dat Europa de zieke oude man van de wereld is geworden… Wie zeggenschap wil over zijn eigen leven, in een land dat hem vrijheid en veiligheid biedt en een beroep op zijn zelfstandigheid en creativiteit doet, is welkom bij mijn nieuwe beweging.’

Van gemeenschap naar individu: Balkenende, Rouvoet, Marijnissen
Jan Peter Balkenende, André Rouvoet en Jan Marijnissen zijn eveneens politiek onvergelijkbare partijleiders, maar zien alledrie in laatste instantie de gemeenschap als een voorwaarde voor individuele vrijheid. Volgens Balkenende vormen maatschappelijke instituties als het gezin de basis van de gemeenschap. Rouvoet wijst op het belang van een gedeelde moraal. Marijnissen vraagt aandacht voor de sociaal-economische voorwaarden voor individuele vrijheid.

In Anders en Beter uit 2002 dat Jan Peter Balkenende schreef in reactie op de paarse kabinetten van Kok, is een paragraaf opgenomen over ‘De mens als relationeel wezen’. In tegenstelling tot Bos stelt de CDA-leider dat een beleid dat is gericht op individuele zelfredzaamheid te beperkt is. Individuen komen volgens hem vooral tot hun recht in het gezin: ‘Beleid dat zich focust op individuele zelfredzaamheid en economische zelfstandigheid is te beperkt… De moeite die veel politieke partijen hebben met de positie van het gezin in de samenleving is veelzeggend. Ook in het kabinetsbeleid komt dit tot uiting, terwijl het gezin de belangrijkste samenlevingsvorm is. Omdat mensen worden beschouwd als individuen die autonome keuzes maken of dienen te maken, is de ontwikkeling van de positie van het gezin in de samenleving onvoldoende onderkend. Sterker, de werkelijkheid van mensen is miskend. Daarmee wordt ook een kans gemist de samenleving echt te verbeteren.’

André Rouvoet schreef in 2000 Politiek met een hart, toen hij nog politicus was voor de RPF. In het hoofdstuk over ‘De amorele staat’ beklemtoont de huidige leider van de ChristenUnie het belang van een gemeenschappelijke moraal. En hij keert zich tegen ‘ethisch pluralisme’, de opvatting dat moraal een individuele aangelegenheid is: ‘Daarmee heeft de politiek haar norm-stellend vermogen goeddeels verloren en is het spreken in termen van ‘gerechtigheid’ zinledig geworden, omdat de idee van een intrinsieke en boven-individuele gerechtigheid is prijsgegeven. We zijn het gezamenlijke zicht op wat gerechtigheid is kwijtgeraakt. Het hoogste doel en de enige maatstaf voor wetgeving en beleid is dan het verschaffen van vrijheid aan iedereen om naar eigen normen te leven: de staat als amorele, in ethisch opzicht onverschillige bewaker van het zelfbeschikkingsrecht van haar burgers. (…) Dat de zwakkeren hiervan het slachtoffer zullen zijn, lijdt geen twijfel.’

Jan Marijnissen schreef onder meer Tegenstemmen (1996), Effe dimmen! (1998) en Nieuw Optimisme (2003). In Hoe dan, Jan? uit 2005 liet hij zich interviewen door Karel Glastra van Loon en Kees Slager. ‘Modern socialisme’ moet zich volgens hem vooral richten op de sociaal-economische voorwaarden voor individuele vrijheid: ‘Eén aspect van mijn socialisme is de emancipatie van gewone, werkende mensen, vrouwen, mannen en hun kinderen, zodat zij fatsoenlijk kunnen wonen en eten, hun kinderen naar een goeie school kunnen laten gaan, zelf toegang hebben tot cultuur en meer van dat soort dingen. Met andere woorden: laten we de voorwarden creëren waaronder de homo universalis een kans krijgt. Ik bedoel dat we het bestaan overzichtelijk en inzichtelijk maken, zodat we ons kunnen wijden aan de zaken die écht van belang zijn. Laten we een aantal zaken zó regelen dat ze vanzelfsprekend worden: goed onderwijs, beschikbare zorg, fatsoenlijk openbaar vervoer. Waarom al dat ingewikkelde gedoe met zogenaamde keuzevrijheid? Ik wil gewoon 230 volt zodat mijn lamp brandt. Waarom moet ik gaan nadenken over de vraag of ik die stroom van Nuon of Essent wil betrekken?… Mijn socialisme gaat uit van de wetenschap dat de mens in al zijn facetten erg afhankelijk is van de omstandigheden waarin hij leeft. Mijn hoofdmotto is dan ook: maak de omstandigheden ménselijk.’

Geen vrijheid maar zeggenschap
Als u kunt kiezen uit zes soorten jam, dan bent u waarschijnlijk tevreden met die keuzevrijheid. Als u echter moet kiezen uit vierentwintig soorten jam, dan is de kans groot dat u veel minder tevreden bent. Dit bekende jamexperiment is in 2000 gedaan door de Amerikaanse onderzoekers Sheena Iyengar en Mark Lepper. Zij noemen de uitkomst van hun onderzoek paradoxaal: hoe meer er te kiezen valt, des te minder bevredigend vinden mensen het resultaat. Dit geldt niet alleen voor jam, maar ook voor heel veel keuzevrijheid die mensen door de politiek wordt gegeven.

In Vrijheid verplicht (2005) analyseren de redacteuren Menno Hurenkamp en Monique Kremer de politiek van meer markt en minder overheid. Zij spreken in dit verband van een politiek ‘keuzeparadigma’. Achter de politiek van marktwerking steekt een heel specifieke opvatting van de mens. Wij zouden rationele wezens zijn, die op zoveel mogelijk gebieden van het leven keuzes willen maken. Dat is echter een misvatting. De beide sociologen wijzen erop dat een overvloed aan keuzes niet leidt tot geluk, maar juist kan leiden tot onbehagen. Het leidt tot ‘keuzevermoeidheid’, of zelfs ‘keuzestress’. Anders dan veel politici denken, zitten maar weinig mensen te wachten op nóg meer vrijheid om te kiezen tussen zorgverzekeraars of energiemaatschappijen. Veel mensen hebben liever dat dit soort zaken door politici naar tevredenheid worden geregeld.

In tegenstelling tot wat de term doet vermoeden, kan de politiek van keuzevrijheid ons ook ernstig in onze mogelijkheden beperken. Het was een politieke keuze om de woningcorporaties meer vrijheid te geven. Het gevolg is dat meer goedkope woningen worden gesloopt en minder sociale huurwoningen worden gebouwd. Dit geeft mensen met een laag inkomen veel minder mogelijkheden om een woning te vinden. Het was ook een politieke keuze om schoolbesturen meer vrijheid te geven. Dit heeft echter de mogelijkheden van de overheid beperkt om kinderen te verspreiden en daarmee de integratie te bevorderen. Ook de huidige vorm van Europese integratie is een politieke keuze voor de vrije markt. Allerlei Europese richtlijnen beperken onze mogelijkheden om ons openbaar vervoer te organiseren, sociaal beleid te voeren of afspraken te maken voor een beter milieu. Voorbeelden als deze laten zien hoe een politiek die de vrijheid zou moeten bevorderen leidt tot verschraling van onze zeggenschap.

Politici moeten mensen niet meer keuzevrijheid geven, maar meer zeggenschap. Het gaat er volgens mij niet om welke zorgverzekeraar we kunnen kiezen of welk energiebedrijf onze stroom levert. Belangrijker is wélke zorg wordt geleverd of hóe energie wordt gewonnen. Welke woningen worden gebouwd. Welk onderwijs wordt gegeven. Welk vervoer we willen. Welke sociale voorzieningen we belangrijk vinden. Hoeveel waarde we hechten aan een gezond milieu. Welke waarden zijn zó belangrijk dat we er zeggenschap over willen hebben, in plaats van een vrije keuze tussen alternatieven die we niet hebben gekozen?

Hoeveel vrijheid verdraagt de gemeenschap? Ik betwijfel of we teveel een samenleving zijn geworden van gelijkheid en we de ‘kampioen van de vrijheid’ moeten worden, zoals Wouter Bos wil. Volgens mij heeft de politiek van keuzevrijheid de afgelopen jaren juist de ongelijkheid tussen arm en rijk, tussen hoog- en laaggeschoold en tussen autochtoon en allochtoon vergroot. Ik denk evenmin dat we af moeten van ‘bevoogdende staatsarrangementen’, zoals Femke Halsema dat noemt. Naar mijn opvatting moet de overheid veel meer dan nu het initiatief nemen in het organiseren van gelijke kansen en het bevorderen van solidariteit. Want vrijheid betekent niets als we er niet in slagen om een gemeenschap te bouwen.

Dit artikel is een samenvatting van een lezing die de auteur op 5 maart 2007 hield voor Studium Generale van de Universiteit van Amsterdam en verscheen op in het maartnummer van Waterstof, het interblad van de Waterland Stichting

Delen via sociale media Informatie over delen en sociale media
Studio SP
top