18-04-2000 • Mevrouw de voorzitter, de SP-fractie is buitengewoon verheugd over het feit dat de Kamer nu eens praat over het integrale minderhedenbeleid. In verband met de urgentie van de problemen, maar vooral ook omdat in dit debat alle zaken eens in hun samenhang kunnen worden besproken. Ik wil mijn tijd niet gebruiken - hoe interessant ook - voor een terugblik, maar slechts voor een blik in de toekomst en de zaken die mijn fractie wil bepleiten.
Mevrouw de voorzitter, politici kunnen mensen niet integreren in de samenleving, en dat is maar goed ook. Integratie is iets van de mensen zelf: van de nieuwkomers en van de autochtonen. Wat de overheid wel kan en moeten doen, is zorgen voor de beste voorwaarden om de integratie te laten slagen.
Mijn eerste stelling: De overheid heeft op dit punt gefaald. Zoals gezegd, ga ik niet terug in de tijd om alle oorzaken van dat falen nog eens tegen het licht te houden, ik wil me beperken tot de vaststelling dat de feiten van vandaag - als het gaat om taalvaardigheid, schoolresultaten, werk, en noemt u maar op - de conclusie gerechtvaardigd is te stellen dat het minderheden-integratiebeleid gefaald heeft.
Mijn tweede stelling is: Dat falende integratiebeleid heeft ertoe geleid dat migranten en hun kinderen er onvoldoende in slagen echt deel te nemen aan de samenleving, ze beschikken door de bank genomen niet over gelijke kansen als de gemiddelde autochtoon. Die gebrekkige deelname aan de samenleving hindert het integratieproces. En daarmee is de cirkel rond en zijn we in een spiraal naar beneden terechtgekomen.
Mijn derde stelling: Dat dat zo is, is buitengewoon nadelig voor de mensen waarover we het hebben. Uit rechtvaardigheidsoogpunt deugt het van geen kant. Maar dat niet alleen: Er tikt ook een tijdbom. Het zou wel erg naïef zijn te denken dat dit proces zo door kan gaan, zonder dat het een keer tot een uitbarsting komt. De armoede waar veel allochtonen in terecht zijn gekomen in combinatie met een gebrek aan uitzicht op verbetering en geloof in een betere toekomst, leidt tot teleurstelling en frustratie. De nog altijd bestaande discriminatie doet daarbij nog een extra duit in de toch overvolle zak van ontgoocheling. Natuurlijk zal de chemie tussen bovengenoemde elementen tot iets leiden: de een zal de strijdbijl oppakken en het gevecht voor emancipatie en gelijkberechtiging aangaan, de ander zal misschien zijn heil zoeken in een snelle weg naar rijkdom door de weg van de criminaliteit in te slaan. Weer een ander zal zich misschien bewust afwenden van de Nederlandse samenleving, zich juist tegen integratie gaan verzetten en de eigen identiteit gaan verheerlijken en de Westerse samenleving gaan minachten, zie naar de recente snelle groei van de Grijze Wolven.
Mijn vierde stelling: Integratie is het enige effectieve antwoord op de groeiende problemen voor mensen uit etnische minderheidsgroepen. Alle andere concepten zijn misschien mooi op de tekentafel, maar hebben in de praktijk niet het gewenste resultaat opgeleverd. Deze vaststelling leidt tot de conclusie dat mensen die in dit land hun toekomst willen bouwen, die willen dat hun kinderen hier een toekomst kunnen bouwen, ook alles in het werk zullen moeten stellen om de taal te leren en vertrouwd te raken met de hier heersende normen en waarden, de inrichting van onze samenleving, enz. Maar dat niet alleen: De overheid (rijk en gemeenten), de scholen, de bedrijven, de gemeenschappen (Nederlanders en buitenlanders) zullen zich moeten inspannen. Mijn fractie verzet zich tegen diegenen die zeggen: Ach, maak je niet druk, dat duurt een of twee generaties en dan lost dat probleem zich vanzelf op. Deze cynische kijk op het recht van elk mens op een bestaan waarin hij of zij met enige kans op succes zijn of haar geluk kan najagen, wordt door mij niet gedeeld. Wij willen ons met hand en tand verzetten tegen het ontstaan van een onderklasse, en dus ook een etnische onderklasse. De oververtegenwoordiging van allochtonen in de werkloosheids-, armoede- en criminaliteitsstatistieken, de letterlijke segregatie langs etnische lijnen in wijken en op scholen waren altijd, zijn en zullen altijd volledig onaanvaardbaar blijven voor mijn partij.
Mijn vijfde stelling: Integratie en segregatie verdragen elkaar niet. Wanneer op een school de grote meerderheid bestaat uit allochtonen, of althans uit kinderen die de Nederlandse taal niet machtig zijn, die niet vertrouwd zijn met de Nederlandse cultuur, kan er geen sprake zijn van een vanzelfsprekend integratieproces. Mijn fractie is ervan overtuigd dat het integratieproces in eerste aanleg geen proces is dat door middel van allerlei kunstgrepen tot stand moet komen; integratie komt tot stand als het vanzelfsprekend is: voor de nieuwkomers en voor de autochtonen. En het vindt concreet plaats in het dagelijkse onderlinge verkeer: op school, op het sportveld, bij de bakker, en ga zo maar door. Maar deze vanzelfsprekendheid verdwijnt als er ogenschijnlijk geen directe reden bestaat voor de integratie en er geen mensen zijn waarméé je kunt integreren.
Met andere woorden: het beste minderheden-integratiebeleid is het beleid dat segregatie bestrijdt.
Mijn zesde stelling: Het bestrijden van de segregatie zal naast veel meer andere goede dingen leiden tot betere resultaten op school voor de kinderen die daar in hun verdere leven zo afhankelijk van zijn.
Om eerlijk te zijn, Mevrouw de voorzitter, is dat natuurlijk niet mijn stelling, maar is het een korte samenvatting van de conclusies van alle rapporten die naar aanleiding van tal van onderzoeken zijn gepubliceerd.
Mijn zevende stelling is: Ook het bedrijfsleven moet zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid erkennen en het niet langer bij mooie woorden laten, maar desnoods gedwongen worden een bijdrage te leveren aan het aan werk helpen van mensen uit de etnische minderheden. De voormalige gastarbeiders - eens door datzelfde bedrijfsleven hier naartoe gehaald, zijn ten tijde van de snelle technische verbeteringen in de jaren tachtig massaal op straat gezet. Het was net in de tijd dat veel migranten besloten dat ze hier zouden blijven, en niet terugkeren naar hun land van herkomst. De verantwoordelijkheid voor de integratie kwam toen dus geheel en al op het bordje van de overheid en de samenleving, minus het bedrijfsleven. Die fout moet worden hersteld. Bedrijven moeten veel meer investeren om migranten ook via het bieden van werk te integreren in de samenleving: voor middelgrote en grote bedrijven zou een quotum (bijvoorbeeld 5 procent) kunnen worden afgesproken.
Uit onderzoek is gebleken dat 19.000 hoog gekwalificeerde allochtonen nog steeds in de kaartenbakken van de arbeidsbureaus zitten. Hoe kan dit?, vraag ik het kabinet. Is dit een gevolg van discriminatie bij het aannemen van mensen? Zo ja, wat denkt u daaraan te gaan doen?
Mijn achtste stelling: De verkokerde aanpak van het integratiebeleid tot nu toe is er een van de oorzaken van dat echte, goede resultaten zijn uitgebleven.
Mevrouw de voorzitter, mijn fractie gelooft er niks van dit grote maatschappelijke vraagstuk kan worden opgelost door middel van een technocratische benadering. Als ik de stukken lees, ook die ik dit weekend van het kabinet ontving, dan zie ik cijfertjes, veel cijfertjes, statistieken, grafieken, afkortingen, jargon....bladzijde na bladzijde. En voor zover er sprake is van een analyse of concrete oplossingen is de moraal van het verhaal: Er zijn problemen, maar we zijn goed op weg oplossingen te vinden. Eigenlijk is dat al jaren lang de houding. Elke keer wordt er wel weer iets bedacht waardoor kamer en kabinet weer een poosje gerustgesteld zijn. Ten onrechte dus.
Saillant voorbeeld van hoe dat dan gaat: Vierjarigen mogen in ons land naar school, het hoeft niet. 98,7 procent van de kinderen gáát met z’n vierde naar school. Iemand bedenkt dan plots - in het kader van het integratiedebat - we moeten er een verplichting van maken, dat is beter voor de integratie. Maar waar gaat het materieel om? Het rapport van het kabinet geeft de cijfers: het gaat om 2500 kinderen waarvan 25 procent van allochtonen afkomst. Dat zijn er nog maar 625. ’Uit een onderzoek in Rotterdam blijkt dat het vaak gaat om vertraagde aanmelding met een paar maanden.’ Tel uit je winst voor de integratie.
Mevrouw de voorzitter,, veel ministeries (zoals Justitie, Binnenlandse Zaken, Onderwijs, Sociale Zaken, VWS, VROM) zijn op enigerlei wijze bij het beleid betrokken en daarom is er een coördinerend bewindspersoon aangesteld. Dat is OK, maar is er daarmee ook sprake van een integrale politiek? Kijkt de Kamer er ook op een integrale manier tegenaan? Mijn fractie is van mening van niet. En zou dat graag snel veranderen.
Mijn negende stelling: Er zijn veel goede ideeën over hoe de integratie kan worden bevorderd: in het kabinet, in de Kamer, bij de mensen in het onderwijs, bij de politie, bij de woningcorporaties, en last but not least bij de mensen waar het over gaat zelf. In dit debat kunnen onmogelijk alle suggesties op hun waarde worden geschat. Daarvoor is de problematiek te ingewikkeld. En daarom, tot slot...
Mijn tiende stelling: De Kamer zou moeten besluiten tot een eigen parlementair onderzoek. Als het minderhedenbeleid niet heeft gezorgd voor het scheppen van de noodzakelijke voorwaarden voor integratie - dan moet je je volgens mijn fractie serieus afvragen af het niet tijd is voor een andere aanpak. Zou het niet goed zijn eens een grondige analyse te maken, waarom het minderhedenbeleid tot nu toe niet geslaagd is als het gaat om het creëren van gelijke kansen?
Zou het niet buitengewoon nuttig zijn om uit de opgedane ervaringen conclusies te trekken en in samenspraak met de betrokkenen te kijken naar samenhangende en concrete suggesties voor hoe het echt beter kan.
Teken ook het manifest
‘1 voor allen’