Ex-dwangarbeiders eisen erkenning, maar vechten tegen de bierkaai
"In mijn dossier zitten brieven, die in de jaren zestig aan het ministerie van Sociale Zaken zijn geschreven en waarop we nooit antwoord hebben gekregen." Jan Marselis - juridisch adviseur van de VDN (Vereniging ex-Dwangarbeiders Nederland) - is al een mensenleven in de weer om de voormalige dwangarbeiders erkend te krijgen als oorlogsslachtoffers. "Het ministerie en haar al te bereidwillige arbeidsbureaus hebben destijds honderdduizenden Nederlanders naar nazi-Duitsland gestuurd. Dan moet ook de verantwoordelijkheid worden genomen voor de gevolgen daarvan," eist Marselis. Tot nog toe zonder succes. In de Verenigde Staten gaat dat anders. Daar stelden rechters onlangs enkele grote Duitse firma's in het ongelijk en dwongen ze tot betaling van schadevergoeding. Zelfs de Duitse overheid lijkt inmiddels meer dan ooit bereid via de onderhandelingstafel tot een financiële regeling te komen. Maar hier overheerst niettemin de twijfel. Jan Marselis: "Als er in Duitsland geen gezamenlijk fonds van overheid en bedrijfsleven wordt opgericht, heb ik er weinig vertrouwen in." Volgens Arie den Hartog - waarnemend voorzitter van de VDN en, net als Marselis, in '40-'45 zelf op transport gesteld - wordt de tijd tegen hen gebruikt: "Tot nog toe heeft iedereen steeds geprobeerd alle schikkingen zoveel mogelijk uit te stellen." Met ironische bitterheid: "Als we straks allemaal dood zijn, is het probleem natuurlijk opgelost".
"Werken" in Duitsland: alsof het gisteren gebeurde
Het verleden staat bij de dwangarbeiders van toen nog in het geheugen gegrift, alsof het gisteren gebeurde. Jan Marselis (in juli 1943 door de "Arbeidsinzet" naar een fabriek in Mannheim gestuurd): "We zaten in kampen die vergeven waren van de wandluizen en draaiden werkdagen van twaalf uur. Tweeënzeventig tot vierentachtig uur per week was heel normaal. Een hoop mensen zijn daaraan bezweken." Ook Wessel Spoelder, toenterdijd badmeester te Hoorn, werd in 1943 getransporteerd en te werk gesteld bij de Maybach Motoren-fabriek in Friedrichshafen. Zijn "behuizing": één van de vierenzestig krap bemeten houten barakken van het arbeiderskamp. "Het eten uit de gaarkeuken was niet alleen slecht, maar ook karig, omdat het grootste deel werd gestolen door de kampleiding. De riolering was kapot en de uitwerpselen dreven rond in open gootjes. Zeep was er niet en niemand bleef gespaard van ongedierte. Tot overmaat van ramp brak er een paratyfus-epidemie uit, waar nogal wat barakbewoners aan stierven. Daarover heen kwam tuberculose en vlektyfus, in mei '44 meegebracht door Russische krijgsgevangenen." Naast het complex van Maybach Motoren lag de Dornier vliegtuigfabriek. Een gewild object van geallieerde luchtaanvallen. Spoelder: "In oktober 1943 kwamen al achttien arbeiders om het leven bij zo'n bombardement. Negen maanden later was het weer raak. De Duitsers laten niemand naar buiten vluchten, dus zoekt men dekking in de kelder. Die wordt echter geraakt door drie voltreffers. De waterleiding scheurt, de kelder loopt vol water en vijfennegentig dwangarbeiders verdrinken." Spoelder is op dat moment in een andere kelder, die eveneens wordt geraakt. Hij wordt daar gewond en bewusteloos teruggevonden, temidden van ruim negentig doden.
"Bij sollicitaties viel er eerst een stilte en vervolgens werd je afgewezen"
Toen de geallieerde legers Duitsland binnenvielen, werd Marselis van Mannheim naar Heidelberg geëvacueerd, waar hij in maart 1945 door de Amerikanen werd bevrijd. "Maar omdat de bruggen over de Rijn waren vernield en er in Nederland nog steeds gevochten werd, duurde het tot 20 juni voordat ik eindelijk weer thuis, in Den Haag, was. Ik werd geregistreerd en daarmee was de kous af. Omdat ik nog naar mijn ouders kon, had ik geluk. Had je geen familie meer, en kon je nergens heen, dan stond je op straat." Marselis werkt nu mee aan een onderzoek van het RIOD (Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie) over de opvang van ex-dwangarbeiders. "Dat wordt een heel kort verhaal: er is niets gebeurd aan opvang, punt uit." Na de repatriëring begon de ellende voor ex-dwangarbeiders eigenlijk opnieuw. Wegens gebrek aan kennis werden velen met het saus van collaborateur overgoten. Marselis kan daarover meepraten. "Bij sollicitaties was de standaardvraag altijd: Wat heb jij gedaan in de oorlog? Begrijpelijk, want overal wemelde het nog van de NSB'ers. Een keer of vier, vijf heb ik een gesprek gehad. Vertelde je dat je een tijd in Duitsland had moeten werken, dan viel er eerst een grote stilte en werd je vervolgens afgewezen. Toen ik uiteindelijk tóch een baan kreeg op het ministerie van Buitenlandse Zaken, stelden collega's diezelfde vraag. "Waar heb jij gezeten in de oorlog?" Ik heb toen gelogen en gezegd dat ik ondergedoken was. Vreselijk was het, dat liegen en het verdraaien van je verleden. Tientallen jaren later pas, kon ik voor de waarheid uitkomen en bekennen dat ik dwangarbeider was geweest." Ook Den Hartog had de nodige moeite het vinden van een baan na de oorlog: "Het werd nooit rechtstreeks tegen je gezegd, maar ik kende mensen bij het bedrijf waar ik solliciteerde en die vertelden mij, dat ik niet werd aangenomen, omdat ik voor de Duitsers had gewerkt."
"Na twee jaar dwangarbeid kreeg ik op m'n vijfenzestigste 68 gulden netto!"
De meeste dwangarbeiders betaalden in Duitsland premies voor sociale verzekeringen van hun karige loon. Toch hebben zij daar nooit aanspraak op kunnen maken. Den Hartog: "In 1956 tekende de toenmalige Nederlandse minister voor Buitenlandse Zaken, Joseph Luns, een verdrag met de Bondsrepubliek over de afkoop van alle aanspraken van ex-dwangarbeiders op de Duitse staat. Duitsland betaalde daar 20 miljoen gulden voor. Dat was een schijntje, want wij betaalden destijds 1,25 gulden per week premie. En werkgevers die dwangarbeiders gebruikten droegen een zelfde bedrag af. Van die rijksdaalder heeft Duitsland dus nog geen zestig cent terugbetaald". De twintig miljoen werd in 1956 in het potje gestort van de Invaliditeitswet. Ex-dwangarbeiders konden pas daaruit putten als ze gepensioneerd waren. Marselis: "Bij de eerste AOW-uitbetaling kregen we éénmalig 50 gulden voor elk jaar dat we in Duitsland hadden gewerkt. Vijftig gulden! En daarover moest dan ook nog belasting worden betaald. Ik heb twee jaar dwangarbeid verricht en kreeg daarvoor op mijn 65ste achtenzestig gulden netto!" Het verdrag uit 1956 gold echter niet voor dwangarbeiders die te werk waren gesteld op het grondgebied van de latere DDR. Na de hereniging van beide Duitslanden ontving Nederland nóg eens vijftig miljoen gulden, waarmee ook deze aanspraken werden afgekocht. Den Hartog heeft berekend dat niet alleen de ex-dwangarbeiders voor een appel en een ei aan de kant zijn gezet, maar dat ook de Nederlandse overheid zichzelf tekort heeft gedaan: "Stel, dat Duitsland onze pensioenen gewoon zou uitkeren op basis van de premie die we destijds betaalden. Dat komt neer op een bedrag tussen de 1200 en 1800 gulden per persoon per jaar. Belast tegen het laagste tarief, zou dat de Nederlandse schatkist jaarlijks 67 miljoen opleveren. Maar ze hebben zich laten afschepen met 70 miljoen totaal! En dan reken ik nog niet eens mee, dat als wij 1800 gulden pensioen zouden krijgen, er ook minder aanvullende bijstand, huursubsidie en dergelijke aan ons betaald hoefde te worden. Want door de bank genomen hebben we het hier over de laagst betaalde arbeiders. Nederland heeft zich flink laten belazeren."
Bij het indienen van schadeclaims werd steeds achter het net gevist
Ettelijke malen probeerden de ex-dwangarbeiders schadevergoeding te vorderen van de Duitse staat. Tevergeefs. In de zogenaamde "Londense Schuldenovereenkomst" tussen de geallieerden en Duitsland, werd direct na de oorlog vastgelegd dat Duitsland geen enkele individuele schadeclaim hoefde te honoreren zolang er geen definitief vredesakkoord was getekend. Dat akkoord is er, door de splitsing van het land in BRD en DDR, nooit gekomen. Volgens Uwe Peñ a van het Duitse Bundesverband Information und Beratung für National-Socialismus-Verfolgte (BIB) kan het herenigingsverdrag tussen de beide Duitslanden echter als een definitief vredesakkoord worden gezien. Peña: "Maar onmiddellijk doet zich een nieuw probleem voor. Aan het indienen van schadeclaims is namelijk een verjaringstermijn gekoppeld. Vóór 13 mei 1999 moeten aanvragen voor schadevergoeding bij Duitsland worden ingediend, anders vist men weer achter het net." Het is overigens nog maar de vraag of Duitsland bereid is die schadevergoeding toe te kennen. Peña: "Op 22 oktober van dit jaar vonniste het Oberlandesgericht in Keulen dat dergelijke aanspraken niet meer geldig zijn, sinds Duitsland enkele jaren geleden de wet op de Wiedergutmachung buiten werking stelde." Toch, meent Peña, blijft het van belang dat zoveel mogelijk voormalige dwangarbeiders hun claim indienen: "De zaak is in hoger beroep en alles is dus nog mogelijk. Het indienen van claims vergroot bovendien de politieke druk op Bonn."
De ex-dwangarbeiders worden in Nederland van het kastje naar de muur gestuurd
Op de vraag wat de ex-dwangarbeiders van de Nederlandse overheid verwachten, is Den Hartog expliciet. "Geen ene donder, om het netjes te zeggen." Voor dat pessimisme heeft hij goede redenen: "Toenmalig staatssecretaris van Sociale Zaken, Elske ter Veld, begreep absoluut niets van de hele materie. Anderhalf jaar geleden hebben we een dikke nota over dwangarbeid naar minister Melkert gestuurd. Die verwees ons direct door naar het ministerie van Volksgezondheid. Maar dat gaat alleen over immateriële hulp, terwijl wij ook gewoon onze pensioenrechten terug willen." Een voorlichter van het ministerie van Sociale Zaken laat weten dat het departement "geen enkele bemoeienis heeft met claims van ex-dwangarbeiders. Daarvoor moet u bij de dienst Verzetsdeelnemers en Burgeroorlogsslachtoffers van VWS zijn." Mevrouw Proost, coördinatrice van de projectgroep dwangarbeiders van VWS: "Ik heb geen idee wat de stand van zaken in Duitsland is. Verschillende Duitse bedrijven hebben laten weten geld in een fonds te willen storten, maar daar willen we eerst wat meer informatie over hebben via het ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor schadeclaims bij de Duitse overheid over pensioenrechten moet men bij Sociale Zaken aankloppen, daar hebben wij niets mee te maken." Sociale Zaken: "Nee, voor dat soort zaken moet u echt bij VWS zijn. Zij hebben een projectbureau Tegoeden Tweede Wereldoorlog. Iedereen die over dwangarbeid bij ons kwam hebben we een brief gestuurd, waarin we ze naar dat bureau verwezen. Zij kunnen u vast verder helpen." Het Projectbureau Tegoeden Tweede Wereldoorlog: "Dwangarbeid? Duitsland? Nee, wij gaan alleen over tegoeden in voormalig Nederlands-Indië..." Terug bij Sociale Zaken: "Tja, dat is heel vervelend. Maar wij zijn toch absoluut niet het aanspreekpunt voor ex-dwangarbeiders, dat zou mevrouw Proost ook moeten weten. Wij sturen iedereen gewoon door naar VWS. Het is heel vervelend als men daar ook van niets weet, maar wij hebben hierin echt geen rol."
"We zijn oude mannetjes, het wordt steeds moeilijker de zaak draaiende te houden"
"De belangrijkste doelstelling van de VDN blijft: erkenning van dwangarbeiders als oorlogsslachtoffers en teruggave van de rechten die hen zijn ontnomen. Maar wij zijn een club van heel oude mannetjes en het wordt steeds moeilijker de zaak draaiende te houden," aldus Den Hartog. De taken van de VDN worden per 1 januari volgend jaar ondergebracht bij de Stichting Burger-Oorlogsslachtoffers (SBO). Jan Driever van SBO: "Ex-dwangarbeiders willen erkenning en schadevergoeding. De SBO is erop ingericht mensen bij te staan bij hun aanspraken in Nederland, meer concreet op de Wet Uitkeringen Burger-Oorlogsslachtoffers. Claims in Duitsland liggen dus voor ons wat ver buiten de deur. Bovendien zijn wij ook maar een klein kantoortje, met anderhalve beroepskracht voor het VDN-werk. Wij kunnen dus niet alle claims van Nederlanders richting Duitsland opvangen en verwerken. Maar als over een paar weken de eisen van de VDN bij de SBO worden ondergebracht zullen we daarmee iets moeten doen." Ook Driever heeft geen hoge verwachtingen van de Nederlandse overheid: "Ik denk dat die zich op het standpunt stelt dat het in de jaren vijftig definitief geregeld is. Erg veel initiatieven nemen zij niet."
"Arbeitseinsatz": hoe zat dat ook al weer?Precies twee weken na de Duitse inval in Nederland, nog vóór Seys-Inquart als Reichskommissar werd geïnstalleerd, besloot het ministerie van Sociale Zaken de plaatsing van werklozen in Duitsland te bevorderen. Eerst op vrijwillige basis, maar op 25 juni 1940 liet het departement weten dat werklozen die weigerden in Duitsland te gaan werken voortaan geen uitkering meer zouden krijgen. Gezinnen die hierdoor in problemen kwamen mochten ook geen beroep meer doen op de armenzorg.Een jaar later werden de arbeidsbureaus en bevolkingsregisters gedwongen hun administratie ter beschikking te stellen van de bezetters om er geschikte dwangarbeiders uit te kunnen selecteren. Nog steeds betrof het voornamelijk werklozen die afhankelijk waren van een uitkering. Weer een jaar later, in april '42, eisten de Duitsers ook werkende Nederlanders op. Steeds meer Duitse mannen werden naar het Oostfront gestuurd waardoor er voor de industrie weinig personeel overbleef. Vanaf juni 1943 waren alle mannen tussen 18 en 35 potentiële kandidaten voor dwangarbeid in Duitsland. Behalve de uitkeringen voor werklozen werden ook hun distributiebonnen ingehouden als zij weigerden te vertrekken. In 1944 voeren de Duitsers willekeurige razzia's uit en werden zo'n 150.000 Nederlanders naar het Reich gedeporteerd. Van de in totaal (naar schatting) 600.000 dwangarbeiders kwamen er 30.000 om het leven. |
De echte Tribune is
veel dikker en veel mooier! Wil je een jaar lang de Tribune in huis
voor slechts 13 euro? Vul dan het aanvraagformulier in! |
Teken ook het manifest
‘1 voor allen’