Tribune 31 mei 2002
![]() |
Joop de Koeijer | |
|
||
![]() |
||
|
||
Als boer met een academische titel ken je zowel de theoretische
als de praktische kant van het boerenbedrijf. Die verschillen nogal van
elkaar.
'Ja, dat klopt. Tijdens mijn studie aan de Landbouwhogeschool
begon ik al te twijfelen over de wetenschappelijke benadering van de landbouw.
Het onderwijs in Wageningen was erg technocratisch en veel te weinig op
de praktijk gericht. Binnen mijn studierichting, cultuurtechniek, hield
ik me bezig met onderwerpen als landinrichting en ruilverkaveling. De
problematiek rond de landinrichting werd hoofdzakelijk aangepakt met behulp
van computermodellen. Op basis van technische parameters kon je zo bijvoorbeeld
bepalen welke stukken land geschikt waren voor landbouw en welke bij voorkeur
de functie van natuurreservaat zouden moeten krijgen. De kennis van de
mensen ter plekke wordt helemaal buiten beschouwing gelaten. Boeren kennen
hun grond als hun broekzak en weten uit ervaring wat er gebeurt als je
ergens al dan niet landbouwgewassen verbouwt. Bovendien bleek al snel
dat voor het natuurbeheer helemaal geen geld beschikbaar werd gesteld.
Ook daardoor groeide het gevoel, dat theorie en praktijk wel erg ver uit
elkaar lagen. En neem een vak als bedrijfseconomie. Daarin draait het
vooral om het zo efficiënt mogelijk runnen van een boerenbedrijf.
Maar die theoretische benadering biedt géén verklaring voor
het feit dat de helft van de boerengezinnen onder de armoedegrens leeft.'
Juist om het inkomen van boeren te garanderen kent Europa een systeem
van landbouwsubsidies voor graan. Wat is de achtergrond daarvan?
'Na de Tweede Wereldoorlog hoopte men in Nederland honger voor
eens en voor altijd te voorkomen. Dat idee werd uitgangspunt voor een
strategie die boeren redelijke, gegarandeerde prijzen bood voor hun oogst.
Door deze politiek kregen ze vertrouwen in de toekomst, het stimuleerde
hen om te investeren. In de jaren tachtig sloeg het aanvankelijke succes
van dit beleid om in overproductie. Brussel nam de overtollige productie
tegen garantieprijs over, en dumpte de voorraden vervolgens onder meer
in de Derde Wereldlanden. Ver onder de marktprijs! Het verlies nam Europa
op de koop toe.
Sinds 1992 hebben die subsidies een andere vorm. Dat heeft alles te maken
met de druk die de Amerikanen op Europa uitoefenden. De VS klaagden bij
de Wereldhandelsorganisatie (WTO), dat de exportsubsidies de markt verstoorden.
Waarna Brussel besloot de graanprijs, in een aantal stappen, sterk terug
te brengen en graanboeren een inkomenssteun van 400 euro per hectare te
bieden. Door die lagere graanprijs kunnen ze, voor het in de WTO afgesproken
maximum aan exportsubsidie, meer kilo's graan exporteren. Ik noem dat
dus een boeventruc van Brussel, want het resultaat is namelijk dat de
EU nóg grotere hoeveelheden graan op de wereldmarkt dumpt.'
Kritische akkerbouwers, verenigd in de Nederlandse Akkerbouw Vakbond,
zijn tegen de subsidies. Is dat niet vreemd, want je zou toch zeggen dat
die bijdragen hen garanties bieden?
'Er is een verschil tussen echte boeren en agrarische ondernemers.
De laatste groep meent dat haar belang in het verlengde ligt van de agri-business,
met voedselverwerkende bedrijven als Unilever en Cargill. Meer interesse
dan een zo groot mogelijke productie tegen een zo laag mogelijke kostprijs
hebben ze niet. Gesteund door de bestaande landbouwpolitiek én
de Europese subsidies, dragen zij bij aan de overproductie en dus lagere
marktprijzen. Op dit moment stijgt de agrarische productie in Europa,
onder meer dankzij het gebruik van efficiëntere productiemethoden,
jaarlijks met 2 procent. Maar daar staat tegenover dat de voedselconsumptie
in Europa per jaar slechts een half procent groeit. Met andere woorden,
de overproductie neemt nog steeds toe. Agrarische ondernemers vinden dat
prima. Kritische, echte boeren zien het doel van de landbouw totaal anders.
Die vinden dat je er niet mee moet concurreren op de wereldmarkt, maar
dat de productie in eerste instantie gericht dient te zijn op de eigen
markt. Ook willen zij voor hun verantwoord en duurzaam geproduceerde producten
een redelijke, kostendekkende prijs krijgen. In het beleid dat deze boeren
voorstaan, is overigens wel degelijk een rol voor Brussel weggelegd. Net
als de meeste landbouweconomen menen wij dat de prijs voor graan niet
aan de markt mag worden overgelaten, omdat daardoor instabiele situaties
kunnen ontstaan. Bij overproductie - en dus lagere prijzen - gaan mensen
namelijk niet opeens méér brood eten. Wat ons betreft zou
de EU een bodemprijs moeten vaststellen en door middel van aan- en verkoop
zo nodig op die markt moeten bemiddelen. Daarnaast zouden er maatregelen
moeten komen om de productie aan banden te leggen via quoteringsmaatregelen.'
Wat let de Europese gemeenschap om een dergelijke nieuwe landbouwpolitiek
in te voeren?
'Het eerste probleem wordt al gevormd door de handelsovereenkomsten
die binnen de WTO - waar de invloed van de VS erg groot is - zijn gemaakt.
Als gevolg daarvan mag Brussel geen vaste graanprijs vaststellen en ook
geen regulerende maatregelen nemen. Het WTO-beleid is koren op de molen
van de agri-business, die immers zo goedkoop mogelijk wil in-kopen. De
consequenties van die handelsovereenkomsten zijn verstrekkend. Zo mag
Nederland zich bijvoorbeeld niet beschermen tegen de invoer van goedkope
en kwalitatief slechtere producten, zoals Amerikaans hormoonvlees. Dat
wij als natie desondanks nog steeds de Europese lijn binnen de WTO volgen,
komt doordat we vooral de belangen van andere industrietakken verdedigen.
Uit de WTO stappen zou kunnen leiden tot een handelsoorlog met de VS.
Dát kan bijvoorbeeld betekenen, dat de KLM haar landingsrechten
in de Verenigde Staten verliest. En denk ook eens aan de belangen die
banken en verzekeringsmaatschappijen in Amerika te beschermen hebben.
Aan die belangen wordt de Nederlandse landbouw opgeofferd.
De vrije markt voor landbouwproducten werkt nadelig naar meerdere kanten.
In de eerste plaats zijn boeren er de dupe van, omdat ze gedwongen worden
steeds meer te produceren. Door die overproductie daalt de prijs en blijven
alleen de grote, intensieve landbouwbedrijven over. Je ziet dan ook dat
veel Nederlandse boeren een behoeftig bestaan leiden en moeite hebben
een opvolger te vinden.
Op de tweede plaats reikt de lange arm van die vrije markt zelfs tot in
de Derde Wereld. Doordat Europa en de VS hun overproductie tegen afbraakprijzen
dumpen, kunnen boeren in ontwikkelingslanden hun producten niet meer kwijt
op de lokale markt. Neem een land als India, waar de elite onder druk
van de VS koos voor deelname aan de WTO. Nu moet India goedkope landbouwproducten
toelaten. De eigen boeren kunnen hun graan niet meer kwijt en krijgen
het advies om katoen te gaan verbouwen voor export naar het Westen. Dat
ondermijnt niet alleen de voedselsoevereiniteit van India, het heeft ook
ecologische gevolgen. Het verbouwen van katoen vraagt namelijk veel water,
terwijl dat daar nu juist een schaars goed is.'
Onlangs richtte een aantal organisaties waaronder de Nederlandse
Akkerbouw Vakbond, het Kritisch Landbouw Beraad en de SP het platform
Aarde, Boer, Consument (ABC) op. Wat beogen de deelnemende organisaties?
'Ze hebben onvrede met de huidige landbouwpolitiek. De organisaties
vinden dat het inkomen van de doorsnee boer te laag is en dat het agrarisch
bedrijf te weinig perspectief biedt. De mooie kanten van het vak worden
ondermijnd. Veel van de typische eigenschappen gaan, plat gezegd, naar
de kloten. Kennis en methode komen meer en meer van buitenaf, waardoor
er nog nauwelijks ruimte is voor eigen invulling. Een veelzeggend onderdeel
daarvan is de anonimiteit van de afnemers. De afstand tussen producent
en consument is véél te groot geworden.
Het platform streeft naar kostendekkende prijzen, productie-beheersing
en beperking van externe invoer. Wat we nodig hebben, is een internationale
ordening van de landbouwmarkt, inclusief grensoverschrijdende afspraken
over prijzen en hoeveelheden. Maar voor een verandering van de landbouwpolitiek
is vooral steun van de burgers vereist. Daarom zoeken we naar doeltreffende
bondgenootschappen, bijvoorbeeld met consumentenorganisaties. De handelsovereenkomsten
hebben boeren en consumenten bewust 'uit elkaar gespeeld'. Wij willen
consumenten bewust maken van de herkomst van hun voedsel. Het is moeilijk
om consumenten aan te sporen om te kiezen voor producten uit de duurzame
landbouw, als de prijs voor die producten hoger ligt. Het is ook een van
de redenen waarom kritische boeren vinden, dat je de ontwikkeling van
duurzame landbouw niet aan de markt kunt overlaten. Dat hoort een publieke
zaak te zijn, omdat onze voedselsoevereiniteit op het spel staat.'
Gezien de grote belangen van de agri-business en de neiging van
Brussel om onder druk van de VS en de WTO zoveel mogelijk
voor vrije markten te kiezen, lijkt ABC voor een kansloze zaak te vechten.
'Sedert de mislukte WTO-bijeenkomst in Seattle ben ik veel minder
pessimistisch. Toen hebben ontwikkelingslanden voor het eerst hun poot
stijf gehouden. Gesteund door de protesten van anti-globalisten. Tegelijkertijd
zie je ook het besef groeien dat boeren in Europa, milieu-activisten en
Derde Wereld-organisaties met dezelfde negatieve gevolgen van de landbouwpolitiek
te maken hebben, en zie je ze coalities sluiten. Een paar jaar geleden
werden anti-globalistische groepen alleen gezien als een protestbeweging,
die verweten werd de vooruitgang tegen te houden. Inmiddels is wel duidelijk
dat het om overtuigde, betrokken mensen gaat, die dondersgoed weten hoe
de verbanden liggen. Ook binnen de boerengemeenschap wordt het protest
tegen de landbouwpolitiek en de vrije markt luider en beter georganiseerd.
In de hele wereld zie je dat de boeren verdeeld raken in een kritische
tak en een tak die op de hand is van de agri-business.'
Wat kunnen boeren zelf doen om consumenten bewust te maken van
de herkomst van hun voedsel en het belang van duurzame landbouw?
'Een mooi voorbeeld is de Zeeuwse Vlegel, een coöperatie
van jonge Zeeuwse boeren. Die realiseerden zich dat de afstand tussen
boer en consument zó groot is geworden, dat consumenten niet meer
weten waar hun brood vandaan komt. Zij beseften bovendien dat Zeeuwse
baktarwe altijd al een kwaliteitsproduct is geweest. Nu produceren zij
kwaliteitsgraan dat in Zeeland zelf op wind-molens wordt gemalen en met
afgepaste ouweltjes aan bakkers wordt geleverd, die er het echte Zeeuwse
Vlegelbrood van bakken. De tarwe wordt zonder bestrijdingsmiddelen en
kunstmest geteeld. Dat is controleerbaar, want de tarwevelden zijn met
borden gemarkeerd. Iedereen, ook de consument, kan zien dat er geen rijsporen
tussen het graan zijn: hét bewijs dat er niet met een trekker en
bestrijdingsmiddelen overheen is gegaan. Ja, de consument betaalt wel
iets meer voor zijn brood, maar blijkt dat over te hebben voor goed brood
van eigen bodem.'
|
Joop de Koeijer (1955) is landbouwkundig ingenieur en runt samen met zijn broer een boerenbedrijf in Brouwershaven. Namens de kritische Nederlandse Akkerbouw Vakbond, één van de initiatiefnemers van het platform Aarde, Boer, Consument, onderhoudt De Koeijer de internationale contacten. Hij is bovendien voorzitter van de Zeeuwse Vlegel, een collectief van Zeeuwse boeren die de milieuvriendelijke teelt van tarwe stimuleert. |
De echte Tribune is
veel dikker en veel mooier! Wil je een jaar lang de Tribune in huis
voor slechts 13 euro? Vul dan het aanvraagformulier in! |