Het debat over de zaak Margarita, 12 maart 2003: eerste termijn van SP Tweede-Kamerlid Harry van Bommel
Wat
tot 5 maart jongstleden volgens de mp nog een interne familieaangelegenheid
was, is inmiddels veranderd in een staatsrechtelijk vraagstuk waarbij bevoegdheden
van het Kabinet der Koningin en verantwoording aan ministers, interne procedures
bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en het toezicht daarop centraal
zijn komen te staan. In de beantwoording van mijn schriftelijke vragen naar
aanleiding van het eerste artikel in de HP/De Tijd-reeks Oranjebitter, hebben
de minister-president en de minister van Binnenlandse Zaken het oordeel van
voormalig premier Kok overgenomen. Hoe is de regering op 5 maart tot dat oordeel
gekomen, terwijl zij toen al kennis had van de brieven die prinses Margarita
in 2001aan koningin Beatrix en de premier Kok en in 2002 aan de premier had
geschreven? Aangezien er in die brieven melding wordt gemaakt van het doorspelen
van persoonlijke correspondentie en bankafschriften, het afluisteren van het
echtpaar, de familie van de echtgenoot van de prinses en de aanwezigheid van
microfoons in het Amsterdamse appartement van het echtpaar; kan toch niet worden
gesteld dat het om een interne familieaangelegenheid gaat?
Als bovendien beschuldigingen worden geuit aan het adres van de directeur van het Kabinet der Koningin en de procureur-generaal van de Hoge Raad, dan gaat dat toch verder dan een interne familieaangelegenheid? Waarom heeft de regering deze zaken niet onderzocht en wordt ook in de brief van maandag nog gesteld dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat gesprekken in de woning van het echtpaar zijn afgeluisterd. Die aanwijzingen zijn toch in die brieven terug te vinden?
VZ De brief van de regering over de kwestie Margarita roept meer vragen op dan er worden beantwoord. Ik loop er enkele langs.
1. Waarop was het ernstig vermoeden gebaseerd dat de veiligheid van de staat
of de integriteit van het Koninklijk Huis in gevaar zou kunnen komen? Dat vermoeden
heeft onder meer geleid tot het openen van het Sociale Dienst-dossier van de
heer De Roy van Zuydewijn.
2. Waarop was de twijfel omtrent de integriteit van De Roy van Zuydewijn gebaseerd?
Die twijfel heeft de directeur van het Kabinet der Koningin uitgesproken aan
het adres van de BVD nog vóórdat de BVD naslag deed in de eigen
bestanden.
Uit de brief van de regering is op te maken dat deze vragen aan de orde zijn geweest op 6 maart in een vertrouwelijke rapportage aan de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Dat is ook het antwoord op de vragen van mevrouw Halsema en de heer De Graaf en dat is bijzonder onbevredigend. Als het aan de SP ligt, komt het toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten gewoon onder democratische controle. Dat wil zeggen dat de commissie Binnenlandse Zaken deze taak over zou moeten nemen. In openbaarheid waar het kan, in beslotenheid waar het moet. Wat is de opvatting van de regering hierover?
De BVD-rapportage bevatte volgens de regering gegevens die om nadere duidelijkheid vroegen. Die duidelijkheid zou van de heer De Roy van Zuidewijn zelf moeten komen en de Directeur van het Kabinet der Koningin heeft gemeend personen in de omgeving van de prinses aan te moeten zetten tot het vergaren van informatie. Daartoe heeft hij mondeling en schriftelijk gegevens uit die rapportage doorgegeven aan de vader van de prinses, haar broer en aan Prins Bernhard. Feitelijk heeft hij deze personen aangezet tot spioneren. Dat leidt tot de volgende vragen:
1. Was het toegestaan dat de Directeur deze informatie doorspeelde aan derden?
De regering zegt dit besluit te billijken. De vraag is of het ook mocht?
2. Deelt de regering mijn opvatting dat het inzetten van de directe familie
van de prinses om informatie aan De Roy van Zuydewijn te ontfutselen, automatisch
leidt tot een onaanvaardbare vertrouwensbreuk in de Koninklijke familie en dat
dit niet had moeten gebeuren?
Uit de brief van de regering blijkt dat de naslag door de BVD en de DKDB en gesprekken tussen de vader van de prinses en De Roy van Zuydewijn niets heeft opgeleverd waaruit een risico of bedreiging blijkt voor de veiligheid van leden van het Koninklijk Huis. Het ernstige vermoeden waarover de BVD sprak en de twijfel aan de integriteit van betrokkene was dus volkomen onterecht. Welke conclusie verbindt de regering aan de resultaten van dit speurwerk over de kwaliteit van het oordeel van de BVD en de Directeur van het Kabinet? De Kamer kan hier geen oordeel over vellen omdat de regering vooralsnog weigert de benodigde informatie, ook niet vertrouwelijk, aan de Kamer ter beschikking wil stellen. Zo wordt onze controlerende taak wel heel erg moeilijk.
De regering concludeert dat het wenselijk zou zijn geweest dat de betrokken ministers tijdig op de hoogte waren gesteld van het feitelijke onderzoek en de relevantie van de onderzoeksgegevens. Die opvatting deelt de SP-fractie volledig. Op basis van die conclusie heeft de regering nu sluitende afspraken gemaakt die inhouden dat de diensten verzoeken tot het naslaan van gegevens omtrent (potentiële) leden van de Koninklijke Familie melden aan de ministers. Mijn fractie acht voor die afspraak een wettelijke basis noodzakelijk. Overtreding is dan niet slechts een politiek feit maar een wetsovertreding die mogelijk vervolgbaar is. Deelt de regering de opvatting dat een wettelijke basis de beste bescherming biedt en is zij bereid tot wetswijziging over te gaan. Ik overweeg om in tweede termijn op dit punt een motie in te dienen.
Hetzelfde kan worden gesteld voor de procedure die de Directeur van het Kabinet moet volgen. Het schriftelijk vastleggen van afspraken lijkt de SP onvoldoende. Ook hier moet worden gezocht naar een wettelijke basis voor de nieuwe afspraken. Opnieuw de vraag of de regering hiertoe bereid is?
Cruciaal in dit debat is de vraag of er slechts sprake is geweest van naslag van bestanden of dat er toch gebruik is gemaakt van instrumenten die horen bij een echt veiligheidsonderzoek. In het laatste geval is de BVD volgens bestaande wetgeving bevoegd om na het verkrijgen van een machtiging personen te volgen, te observeren en af te luisteren. Volgens de advocaat van het paar zijn betrokkenen geobserveerd en gevolgd. Door wie is niet duidelijk, maar dat gegeven zal ongetwijfeld een rol gaan spelen in de juridische procedure die er ongetwijfeld komt. Naar mijn stellige overtuiging is het onder ede horen van getuigen ook de enige manier om in deze zaak de onderste steen boven te krijgen.
Met betrekking tot de vraag of er in een woning is afgeluisterd stelt de regering dat in het kader van de toegegeven onderzoeken er niet is afgeluisterd door de daartoe gerechtigde overheidsdiensten. In die formulering wordt een slag om de arm gehouden hetgeen wel moet leiden tot vragen. Is er in het kader van andere onderzoeken, bijvoorbeeld door zusterdiensten in het buitenland, afgeluisterd. Heeft de regering kennis van welke afluisterpraktijk in de richting van het paar of de familie van De Roy van Zuydewijn dan ook.
Volgens bronnen zou het bedrijf dat een rapportage over microfoons die in de woning zijn aangetroffen heeft opgesteld ook toeleverancier van de BVD zijn. Is de minister van Binnenlandse Zaken buiten de genoemde brieven op de hoogte van het bestaan van die rapportage? Hij zou dit via de AIVD aan het bedrijf hebben kunnen vragen. Graag een eenduidig antwoord op deze vraag.
Alles wat het Koninklijk Huis betreft is met geheimzinnigheid omgeven. Op het moment dat overheidsdiensten betrokken raken bij zaken die eigenlijk gemeld zouden moeten worden, maar bij verantwoordelijke ministers onbekend blijven, dan gaan die diensten een staat in de Staat vormen. Daar kan niemand gelukkig mee zijn. Deze kwestie gaat daarmee veel verder dan een familiekwestie maar raakt aan de wortels van onze rechtsstaat. Ik roep de regering daarom op om volledige openheid van zaken te geven. Doet u dat vandaag, in dit debat, anders zal deze kwestie tot in lengte van dagen blijven doorwerken in het vertrouwen dat burgers in de overheid hebben. Het kan niet anders dat daarbij ook de positie van het staatshoofd wordt betrokken.
Eerder is er in deze kamer gediscussieerd over de positie van het Koninklijk Huis in ons staatsbestel. Deze affaire maakt dat die discussie opnieuw zal oplaaien. De positie van de SP in dat debat is altijd een duidelijke geweest. Een scheiding tussen koninklijk huis en politiek zullen wij dan ook blijven nastreven. Na vandaag is daar meer dan ooit reden toe.
Teken ook het manifest
‘1 voor allen’