van de beroepscommissie van de Socialistische Partij (SP) als bedoeld in artikel 12, lid 6 van de statuten en artikel 16 van het huishoudelijk reglement van de SP
inzake:
het beroep van heer D. Yildirim te Zwolle,
gericht tegen het besluit van de partijraad van de SP van 23 juni 2007
INLEIDING
Bij brief van 26 augustus 2007 heeft de heer H. van Heijningen, algemeen secretaris van de SP, de beroepscommissie, verder ‘de commissie’, verzocht uitspraak te doen ten aanzien van het beroep van de heer D. Yildirim, verder ‘Yildirim’, tegen het besluit van de partijraad van 23 juni 2007, bij welk besluit de partijraad krachtens artikel 15, lid 2 van de statuten Yildirim heeft verzocht zijn functie als lid van de Eerste Kamer en zijn zetel in de Eerste Kamer ter beschikking te stellen van de vereniging.
De commissie heeft besloten dit verzoek in behandeling te nemen.
PROCEDURE
De commissie heeft in eerste instantie kennis genomen van:
Naar aanleiding van deze correspondentie heeft de commissie op haar verzoek kennis kunnen nemen van de volgende stukken:
Op grond van artikel 16 van het huishoudelijk reglement, inzake de behandeling van beroepen, heeft de commissie, voorlopig ervan uitgaande dat de voornoemde brief van 12 juli 2007 aangemerkt kan worden als beroepschrift van Yildirim, in het kader van hoor en wederhoor per brief de volgende personen benaderd:
In deze brieven heeft de commissie een aantal vragen geformuleerd en betrokkenen verzocht desgewenst de commissie van andere relevante informatie te voorzien.
De commissie heeft vastgesteld dat zij reacties ontvangen heeft van Van Heijningen,
Ivens, Denkers, Smits en Woelders.
Op de inhoud van de door de commissie ontvangen reacties zal de commissie hierna
voor zoveel nodig terugkomen.
Van Yildirim heeft de commissie geen reactie ontvangen.
ONTVANKELIJKHEID
Beroepsinstantie
Artikel 15, lid 2 van de statuten bepaalt dat leden, die gekozen zijn als
volksvertegenwoordiger, deze functie in loyaliteit t.o.v. de vereniging uitoefenen.
Voorts bepaalt dit artikel dat een volksvertegenwoordiger zijn functie en zetel
ter beschikking stelt wanneer de partijraad daarom verzoekt.
Artikel 15, lid 3 van de statuten bepaalt dat er tegen een verzoek als bedoeld in artikel 15, lid 2, beroep openstaat bij de partijraad binnen dertig dagen na het verzoek.
Op grond van artikel 16, lid 6 van de statuten kan de partijraad een commissie benoemen belast met een speciale taak. De (onderhavige) commissie is in 2004 als zodanig door de partijraad daartoe benoemd.
De behandeling van een beroep van een volksvertegenwoordiger krachtens artikel
15, lid 3 berust krachtens artikel 16, lid 1 van het huishoudelijk reglement
bij ‘de instantie die het beroep behandelt’.
Ingevolge artikel 16, lid 2 van dit reglement moet onder ‘instantie’ begrepen
worden de commissie die daartoe door de partijraad is benoemd, zijn de onderhavige
commissie.
In laatst genoemd artikel is ook bepaald dat ‘het beroep schriftelijk en gemotiveerd moet worden ingediend bij de instantie, die het beroep behandelt’.
Gelet op voornoemde bepalingen dient een beroepschrift dat door een volksvertegenwoordiger
wordt ingediend, gericht te zijn aan de partijraad dan wel aan de door de partijraad
hiertoe benoemde instantie, de commissie.
De commissie stelt vast dat, indien zoals door Yildirim is betoogd de mede
door hem ondertekende brief van 12 juli 2007 als beroepschrift moet worden
beschouwd, dit beroepschrift niet gezonden is aan hetzij de partijraad of de
commissie, maar aan het partijbestuur.
Beroepstermijn
Het verzoek van de partijraad dateert van 23 juni 2007.
Een beroep daartegen diende derhalve binnen dertig dagen na 23 juni 2007 te
zijn ingediend. Indien aangenomen kan worden dat de voornoemde brief van
12 juli 2007 als zodanig beschouwd kan worden is volgens de commissie het
beroep tijdig ingediend.
Indien de brief van 12 juli 2007 niet als zodanig kan worden gezien, dan moet
worden vastgesteld dat het beroep van Yildirim van 9 augustus 2007 te laat
is ingediend.
Formulering beroepschrift
De commissie heeft zich beraden over de vraag of de inhoud van de door Yildirim als beroepschrift aangemerkte brief van 12 juli 2007 gezien kan worden als een beroepschrift zoals bedoeld in de statuten, met name waar het gaat om het aspect van de motivatie van het beroepschrift.
De commissie stelt vast dat de brief van 12 juli 2007 is verzonden ‘namens het Comité Democratisering SP’ en ondertekend is door Yildirim, maar ook door tien andere partijleden. Deze formulering laat ruimte voor twijfel waar het gaat om het antwoord op de vraag of de brief een beroepschrift was van Yildirim persoonlijk.
Verder stelt de commissie vast dat nergens in de brief van 12 juli 2007 de termen beroep of beroepschrift voorkomen. De aanhef van de brief, waarin de briefschrijvers ‘het partijbestuur vragen een besluit te nemen om de impasse rond het ontstaan van de Eerste Kamerzetel te doorbreken’ wijst niet in de richting van een beroep of beroepschrift.
Hetzelfde geldt ten aanzien van het voorstel dat de briefschrijvers in hun brief op pagina 3 en 4 aan het partijbestuur formuleren.
Op grond hiervan is de commissie van oordeel dat met name ten aanzien van
de formulering van de brief van 12 juli 2007 betwijfeld kan worden of deze
brief in redelijkheid gezien en begrepen kan worden als een beroepschrift.
BEOORDELING BEROEPSCHRIFT
(1)
Juist vanwege de onduidelijkheid van de brief van 12 juli 2007, het beroepschrift
volgens Yildirim, had de commissie behoefte aan een nadere toelichting van
Yildirim. De commissie betreurt het derhalve dat Yildirim op de vragen van
commissie niet heeft geantwoord.
(2)
De commissie stelt ten aanzien van de voorgeschiedenis in het kort het volgende
vast.
Yildirim heeft in 2006 niet gesolliciteerd naar een zetel in de Eerste Kamer.
Hij is door de kandidatencommissie voorgedragen voor een ‘opvolgersplaats’,
met welke plaats hij zonder enig bezwaar heeft ingestemd.
Op de partijraadsvergadering van 17 maart 2007 heeft Yildirim geen bezwaar aangetekend tegen de voorgestelde kandidatenlijst en zijn eigen plaats op die lijst.
Het moet naar de mening van commissie zeker door de voordracht op de partijraadsvergadering van 17 maart 2007 voor Yildirim volstrekt duidelijk zijn geweest welke kandidaten bedoeld waren voor de eerste 12 zetels in de Eerste Kamer.
Yildirim was daarnaast bekend met de motivering van de kandidatencommissie voor de volgorde van de kandidaten op de kandidatenlijst. Derhalve had Yildirim zich moeten realiseren dat zijn beslissing om twee stemmen op zichzelf uit te brengen, de kans dat hij gekozen zou worden aanmerkelijk kon vergroten en dat hij daarmee de door de partijraad unaniem goedgekeurde lijstvolgorde zou kunnen doorkruisen. Daarbij moet het voor Yildirim duidelijk zijn geweest dat hij, indien hij aldus gekozen zou worden, de partij in een moeilijke positie zou brengen en hij de partij reeds daardoor schade zou toebrengen.
Daar komt bij dat, voor zover de commissie heeft kunnen constateren, Yildirim geen steekhoudende argumenten heeft gegeven voor het doorbreken van de door de partijraad goedgekeurde lijstvolgorde van kandidaten.
Tegen die achtergrond kan naar het oordeel van de commissie moeilijk volgehouden worden dat Yildirim zich loyaal gedragen heeft tegenover de partij.
(3)
De discussie, die na 29 mei 2007 is ontstaan, laat volgens de commissie zien
dat Yildirim niet bereid is geweest om het conflict naar beste vermogen op
te lossen. Integendeel, de inhoud van de gewisselde stukken en de opstelling
van Yildirim, ook op de partijraad van 23 juni 2007, laten zien dat er door
Yildirim niet naar deëscalatie is gestreefd.
(4)
In zijn brieven van 12 juli en 5 augustus 2007 heeft Yildirim het partijbestuur
beschuldigd van willekeur bij de toepassing van artikel 15, lid 2 van de
statuten, en van het bewust aantasten van de integriteit van statenleden.
Deze zware beschuldiging heeft Yildirim niet onderbouwd, terwijl hij op een
daarop gerichte vraag van de commissie geen antwoord heeft gegeven.
(5)
Het tweede bezwaar van Yildirim tegen het gewraakte besluit van de partijraad
is zijn stelling dat er voorafgaande aan de partijraad van 23 juni 2007 afspraken
gemaakt zouden zijn tussen hem zelf en met name Van Heijningen, en dat Van
Heijningen die afspraken niet zou zijn nagekomen. Ook op dat punt heeft de
commissie een specifieke vraag aan Yildirim gesteld, waarop hij niet heeft
geantwoord.
Anderzijds stelt de commissie vast dat Van Heijningen de commissie heeft bericht
dat
T. Kox en hij zelf na 29 mei getracht hebben om met Yildirim tot bindende afspraken
te komen, maar dat zulks niet lukte vanwege de weigerachtige houding van Yildirim.
(6)
Voorzover de commissie uit de stellingen van Yildirim zou kunnen opmaken dat
hij onheus bejegend is door het partijbestuur of de partijraad omdat hij
voorafgaande aan de partijraad van 23 juni 2007 niet in de gelegenheid werd
gesteld om zijn eigen voorstel c.q. standpunt vooraf aan de agenda van de
partijraad toe te voegen wijst de commissie op het volgende.
De statuten en het huishoudelijk reglement, in artikel 8, bepalen enerzijds
dat het partijbestuur belast is met het opstellen van de agenda voor de partijraad,
en anderzijds dat ter vergadering van de partijraad afgevaardigden andere agendapunten
kunnen voorstellen. De commissie ziet derhalve niet in dat het partijbestuur
onjuist jegens Yildirim heeft gehandeld bij het opstellen van de agenda voor
de partijraad van
23 juni 2007.
Ook stelt de commissie vast dat Yildirim geen gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid om ter vergadering een ander agendapunt voor te stellen.
(7)
Voorzover Yildirim in het beroepschrift en in zijn brief van 5 augustus 2007
betoogd heeft dat hij niet in de gelegenheid is geweest om zijn standpunt
en voorstel op de partijraad van 23 juni 2007 voldoende kenbaar te maken
en aan de leden van de partijraad zijn zienswijze voor te leggen, stelt de
commissie in de eerste plaats vast dat
M. Twisterling in haar brief van 10 juni 2007, die in ieder geval aan een aantal
leden van de partijraad voor 23 juni 2007 is toegezonden, het standpunt van
Yildirim heeft toegelicht en ondersteund.
In de tweede plaats heeft Yildirim zelf bij brief/e-mail van 19 juni 2007 een aantal partijraadsleden, wellicht zelfs alle partijraadsleden, over zijn zienswijze geïnformeerd.
In de derde plaats heeft de commissie aan de hand van de dossierstukken en
de antwoorden van Van Heiningen, Ivens, Denkers, Smits en Woelders vastgesteld
dat Yildirim op de partijraad van 23 juni 2007 uitvoerig het woord heeft kunnen
voeren en zijn standpunt uiteen heeft kunnen zetten.
Hetzelfde beeld komt naar voren uit de bandopname van de onderhavige partijraadsvergadering.
Er kan derhalve volgens de commissie niet gezegd worden dat Yildirim niet in voldoende mate de gelegenheid heeft gehad om in het hoogste orgaan van de SP, de partijraad, zijn standpunt toe te lichten en te bepleiten.
(8)
Op grond van het bovenstaande komt de commissie, alles afwegende, tot het oordeel
dat, nog afgezien van het antwoord op de vraag of het beroep van Yildirim
op grond van de statuten en het huishoudelijk reglement wel ontvankelijk
is, de partijraad in redelijkheid tot het bestreden besluit van 23 juni 2007
heeft kunnen komen en dat het daartegen gerichte beroep van Yildirim niet
kan slagen.
Dat betekent dat de commissie het beroep van Yildirim van 12 juli 2007 als
ongegrond zijnde afwijst.
DE BESLISSING:
De beroepscommissie, bestaande uit W. Arts, R. Poldner en R.F. Ruers, voorzitter, besluit om het beroep van de heer D. Yildirim gericht tegen het besluit van de partijraad van 23 juni 2007, waarin de partijraad op grond van artikel 15, lid 2 van de statuten van de SP de heer Yildirim heeft verzocht zijn functie en zetel in de Eerste Kamer ter beschikking te stellen aan de SP, af te wijzen.
Namens de beroepscommissie,
R.F. Ruers, voorzitter
Utrecht, 7 september 2007
Ontvang de nieuwsbrief van Emile Roemer en belangrijk nieuws van de SP: meld je aan.
Teken ook het manifest
‘1 voor allen’