Uit de Nieuwe Revu, week 43 2005
Justitieminister Donner wil falende ambtenaren gaan vervolgen. Dan kan hij het beste beginnen met de zaak van klokkenluider Fred Spijkers (59) die al 21 jaar functionarissen van defensie aanklaagt. En daarom al 21 jaar wordt getreiterd en bedreigd met de dood. Zelfs door staatssecretaris van Defensie Van Hoof.
Staatssecretaris Van Hoof tegen Spijkers: ‘Wanneer jij deze stukken gebruikt en of naar buiten brengt, dan heb ik ook een wapen dat voor jou absoluut en onherroepelijk dodelijk is’
Fred Spijkers vangt geen cent. Uit recent onderzoek van Deloitte blijkt alle dossiers over zijn arbeidsverleden en opgebouwde tegoeden ‘zoek’ zijn geraakt
Klokkenluider Fred Spijkers is pas enkele maanden als troubleshooter in
dienst van defensie als op de ochtend van 14 september 1984 munitiespecialist
Rob Ovaa op het schietkamp bij het Gelderse plaatsje Oldebroek zeven landmijnen
test.
Het is iets na elven ’s ochtends als Ovaa een afvuurlijn bevestigt aan
de ring van het ontstekingsmechanisme van een anti-personeelsmijn 23. De AP-23
mijnen zijn sinds de jaren zestig bij de landmacht in gebruik en worden periodiek
getest. Met de afvuurlijn wil hij de AP-23 gecontroleerd op afstand laten ontploffen.
Ovaa heeft de mijn op scherp gezet, trekt zich met zijn team terug in de schuilbunker
en geeft dan het commando ‘vuur’. Het blijft ijzig stil. Geen explosie.
De afvuurlijn moet zijn losgeschoten of geknapt. Enkele minuten later loopt
Ovaa voorzichtig op de niet geëxplodeerde landmijn af. Als hij de mijn
tot op twee meter afstand is genaderd, blijft hij even roerloos staan. Dan
loopt hij voorzichtig op het explosief af, knielt en steekt beide handen naar
het explosief uit. De mijn ontploft alsnog. Ovaa is op slag dood.
Een paar uur later gaat bij Fred Spijkers de telefoon. Op papier is hij bedrijfsmaatschappelijk
werker, maar in de praktijk wordt hij ingezet om bij calamiteiten de schade
te beperken. Onderin zijn bureau liggen drie uiterst vertrouwelijke dossiers:
over een mijnongeluk uit 1983 waarbij zeven doden en elf zwaargewonden vielen,
over de toenmalige minister van defensie Van Eekelen die in zijn werkkamer
werd afgeluisterd en over een jaren durende seksuele mishandeling van twaalf
vrouwen bij de defensie. Affaires die de openbaarheid niet kunnen verdragen.
Om de dossiers geruisloos af te handelen, overlegt hij regelmatig met zowel
de toenmalige Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) als de militaire inlichtingendiensten.
Ook bij de fatale mijnexplosie is Spijkers verantwoordelijk voor damage control.
Van directeur-generaal personeel (DGP) Wim Bunnik krijgt hij kort na het ongeluk
de opdracht de weduwe te informeren. Hij moet haar de boodschap overbrengen
dat haar man zelf schuld had aan het ongeluk. Een leugen, weet Spijkers. “Toen
ik naar de weduwe werd gestuurd, was er nog helemaal geen onderzoek gedaan,
dus de schuldvraag stond nog helemaal niet vast.” Bovendien waren een
jaar eerder zeven beroepsmilitairen omgekomen door een ongeluk met dezelfde
mijn. Hij kende de dossiers – wist dat de AP-23 niet deugde – en
wilde niet liegen. Echter, een ambtsbevel negeren is een doodzonde bij defensie.
Dus als Spijkers ’s avonds bij de weduwe arriveert, vertelt hij wat hem
is opgedragen, maar schudt tegelijkertijd opzichtig zijn hoofd. Met deze actie
roept Spijkers de problemen over zich af die zijn leven 21 jaar na dato nog
steeds beheersen.
Poging tot doodslag, zware mishandeling, bedreiging, verduistering en fraude – in
het 175 ordners dikke dossier van defensieklokkenluider Fred Spijkers wemelt
het van dit soort misdrijven. Gepleegd door ambtenaren in dienst van het ministerie
van Defensie. Als het aan minister van Justitie Donner ligt, gaan ambtenaren
die de wet aan hun laars lappen in de toekomst niet meer vrijuit. Vorige week
diende hij hiertoe een wetsvoorstel in. Tot nu toe wisten de regels sjoemelende
ambtenaren zich jarenlang beschermd door een tweetal uitspraken van de Hoge
Raad. In de zogenoemde Pikmeerarresten bevestigde het hoogste rechtsorgaan
van Nederland de strafrechtelijke immuniteit van de overheid. Op grond van
die immuniteit kunnen individuele ambtenaren niet worden vervolgd.
Donner wil daar een eind aan maken en dat lijkt goed nieuws voor klokkenluider
Spijkers. Lijkt, want de huidige staatssecretaris van Defensie Van der Knaap
heeft besloten dat Spijkers’ omvangrijke dossier, met instemming van
de Vaste Kamercommissie voor Defensie, tot zeventig jaar na zijn dood niet
openbaar mag worden gemaakt. Zo verdwijnt een voor defensie uiterst belastend
dossier in de doofpot.
De ellende voor Spijkers begint als hij op eigen initiatief een onderzoek
start naar de twee mijnongelukken. Al snel ziet defensie hem als een lastpak.
Topambtenaar Bunnik vraagt de toenmalige Marine Inlichtingen Dienst (Marid)
om te onderzoeken of Spijkers kan worden aangepakt wegens spionage – tijdens
de Koude Oorlog een zeer zware beschuldiging.
Wanneer het onderzoek van de Marid niets oplevert, neemt de toenmalige inlichtingendienst
van de landmacht (Lamid) het onderzoek over. Uit een geheim document van de
Lamid uit 1986 blijkt dat Spijkers te boek staat als ‘politiek-crimineel’.
Als Spijkers jaren later defensie om opheldering vraagt, ontkent de landsadvocaat
van het Haagse kantoor Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn namens het ministerie
in eerste instantie het bestaan van de kwalificatie. Later geeft de landsadvocaat
schoorvoetend toe dat Spijkers op politiek-criminele antecedenten is onderzocht,
maar ontkent dat hij als een ‘politiek-crimineel’ werd gezien.
“Het mijnendossier werd als uiterst geheim beschouwd,” spreekt een
topambtenaar van defensie de landsadvocaat tegen. “Spijkers vormde met
zijn kennis en houding een gevaar. Hij werd wel degelijk politiek-crimineel verklaard.”
Spijkers trekt ook de aandacht van de voorganger van de AIVD, de Binnenlandse
Veiligheidsdienst (BVD) dat samen met het ministerie van Economische zaken
een onderzoek was gestart naar een mogelijke illegale export van de AP-23 landmijnen.
Als de druk vanuit defensie toeneemt om zijn onderzoek naar de falende landmijn
te staken, ontfermt de BVD zich over de klokkenluider. Op last van het toenmalige
hoofd kabinet veiligheidszaken, Anton Born, verdwijnt Spijkers een aantal weken
in een safe house. Ook wordt hij van 1985 tot 1993 in zijn strijd tegen defensie
intensief begeleid door Ineke IJzerman, een BVD-medewerker.
IJzerman getuigt als Spijkers op 29 februari 1988 door psychiater Van der Post
wordt onderzocht. ‘De bij het onderzoek aanwezige mevrouw Ineke IJzerman
bevestigt patiënts verhaal over ernstige malversaties bij van het ministerie
van Defensie en voegt daar zelfs aan toe dat de feiten veel erger zijn dan
patiënt zelf meent,’ schrijft de psychiater in zijn rapport. ‘Ook
bevestigt zij patiënts relaas met betrekking tot zijn angst voor de bedoelingen
van de bedrijfsgeneeskundige dienst. Zij meent dat men bezig is patiënt
via een soort van krankzinnigheidsverklaring weg te werken om daarmee een schandaal
te voorkomen.’
Spijkers laat zich psychologisch testen, omdat topambtenaar Bunnik een onderzoek
naar zijn geestesgesteldheid had gelast om hem zo arbeidsongeschikt te laten
verklaren. Defensie-arts Lankhorst voert dat uit en concludeert dat Spijkers
aan paranoia, wanen en schizofrenie lijdt. Ondanks het feit dat vier onafhankelijke
psychiaters, onder wie Van der Post, stellen dat Spijkers niets mankeert, grijpt
defensie de eigen keuring aan om hem te lozen.
Mensenrechtenorganisatie Geneva Initiative on Psychiatry (GIP) schrijft jaren
later in een brandbrief aan de toenmalige defensie-minister Joris Voorhoeve: ‘Wij
hebben vastgesteld dat door defensie de psychiatrische rapporten zodanig werden
verdraaid dat een geestelijk gezond persoon werd “veranderd” in
een psychiatrische patiënt.’
De GIP, die vroeger in de Sovjet-Unie dissidenten als Andrei Sacharov bijstond,
heeft de zaak Spijkers onderzocht en noemt het medisch onderzoek van defensie ‘een
duidelijk geval van politiek misbruik van de psychiatrie, echter ditmaal niet
in de Sovjet-Unie maar in Nederland.’ VVD’er Voorhoeve – zelf
ooit als mensenrechtenactivist actief – geeft echter geen krimp.
Ook als Spijkers in 1987 op een zijspoor is gezet, blijft hij proberen de
waarheid boven tafel te krijgen. Het leidt tot een bedreiging, een zware mishandeling
en een poging tot doodslag.
Het is 18 juni 1989, klokslag drie uur ’s middags, als Spijkers op de
parkeerplaats van McDonald’s in Huis ter Heide uit zijn auto stapt en
wordt beschoten. Hij doet hiervan aangifte bij de politie in Zeist. Ruim een
maand later schrijft opsporingsambtenaar Schreutelkamp, die namens de marechaussee
het onderzoek van de politie overnam, dat ‘het mogelijk is dat hierbij
dienstplichtige militairen van de vliegbasis Soesterberg betrokken zijn.’
Bij de fotoherkenning identificeert Spijkers vijf daders die uiteindelijk disciplinair
worden gestraft. Jaren later zal defensie de beschieting afdoen als een ‘kwajongensstreek’.
Spijkers vreest gedurende zijn voortslepende conflict met defensie meerdere
malen voor zijn leven. Zo ook op 26 september 2000 als hij is uitgenodigd voor
een informeel diner met de toenmalige VVD-defensiestaatssecretaris Henk van
Hoof.
(Van Hoof is in het huidige kabinet staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid).
Tijdens het etentje in een etablissement in Waddinxveen confronteert Spijkers
de onderminister met belastende documenten over enkele politici en topambtenaren.
Die documenten waren bij een archiefonderzoek van KPMG opgedoken. KPMG had
in 1999 van Van Hoof de opdracht gekregen de zaak Spijkers te onderzoeken om
zo tot een oplossing te komen voor het slepende conflict. Het oordeel van KPMG
zou bindend zijn, zo spraken de partijen destijds af.
“Wanneer jij deze stukken gebruikt en of naar buiten brengt, dan heb ik
ook een wapen dat voor jou absoluut en onherroepelijk dodelijk is,” zegt
van Hoof tijdens het etentje. Als Spijkers een paar dagen later Van Hoof schriftelijk
om opheldering vraagt over het dreigement, erkent de staatssecretaris in een
brief (d.d. 13 oktober 2000) dat hij met ‘een dodelijk wapen’ heeft
gedreigd, maar dat Spijkers die woorden niet zo serieus moet nemen. Uit de brief
van Van Hoof:
‘Je reageerde met name op een uitspraak die ik gedaan zou hebben, namelijk
dat ik “met een dodelijk wapen zou komen,” indien jij met jou ter
beschikking staande informatie naar buiten zou gaan.’(...) Allereerst moge
duidelijk zijn dat ik dergelijke bewoordingen, die ik mij overigens niet zo expliciet
herinner, maar die ik ongetwijfeld gebruikt zal hebben – zeker wanneer
jij je dat wel expliciet herinnert – natuurlijk niet letterlijk heb bedoeld.’
KPMG is ondertussen tot de conclusie gekomen dat Spijkers sinds het ongeluk
in 1984 door ‘vertegenwoordigers van het ministerie van Defensie is misleid
door hem tijdige, juiste en/of volledige informatie te onthouden, dan wel bewust
onjuiste informatie te verstrekken.’
Spijkers krijgt een schadevergoeding van 1,6 miljoen euro en rehabilitatie
middels een koninklijke onderscheiding. Ook moet zijn hele defensiedossier
worden onderzocht op misdrijven en worden geschoond van valse beschuldigingen
en frauduleuze documenten.
Maar voor Spijkers betekent het nog niet het einde van de nachtmerrie. Als
hij op zondagavond 16 februari 2003 door zijn woonplaats fietst, wordt hij
aangereden door een lichtgrijze Ford Mondeo. ‘Het viel mij op dat van
tegenovergestelde richting een auto aan kwam met of te hoog afgestelde verlichting
of groot licht,’ verklaart Spijkers in zijn aangifte. ‘Plotseling
zag ik dat de bestuurder van die auto zijn stuur draaide, en bijna haaks op
mij af kwam gereden en zijn snelheid fors verhoogde. Ik had geen mogelijkheid
uit te wijken omdat er veel geparkeerde auto’s stonden.’
De Ford raakt Spijkers met de linkerflank. Hij valt op straat, kruipt weg en
zoekt beschutting tussen de geparkeerde auto’s. ‘Ik was doodsbang
dat men nog uit de auto zou stappen.’ Als in de verte een auto nadert,
ziet hij hoe de Ford met hoge snelheid en zonder verlichting wegrijdt.
“De aangifte is inderdaad bij ons in behandeling geweest,” zegt woordvoerder
Monique Linthorst-Homan van het politiekorps Gelderland-Zuid. “Wij hebben
onderzoek gedaan, maar dat heeft niet geleid tot de vaststelling van de identiteit
van eventuele verdachten. Vervolgens was er onvoldoende opsporingsindicatie om
het onderzoek nog voort te zetten.”
Zijn persoonlijke veiligheid is niet Spijkers’ enige probleem. Sinds
zijn ontslag in 1997 door de Centrale Raad van Beroep werd bekrachtigd, heeft
hij geen inkomen meer. Hij loopt onverzekerd rond en leeft hij van giften.
Volgens correspondentie van uitkeringsinstantie UWV uit 2004 heeft hij vanaf
oktober 1993 tot juli 2011 weliswaar recht op een wachtgeldregeling, maar hij
ontvangt geen cent. De reden? Uit recent onderzoek van Deloitte blijkt dat
bij Achmea Arbo, het UWV en pensioenfonds ABP alle dossiers over Spijkers’ arbeidsverleden
en opgebouwde tegoeden ‘zoek’ zijn geraakt.
Nu hij geen geld krijgt, verkiest de klokkenluider een leven in armoede boven
het aanspreken van de schadevergoeding. De 1,6 miljoen staat onaangeroerd op
een notariële rekening, omdat hij vermoedt dat defensie hem nog wel eens
een kunstje kan flikken. En drie weken geleden krijgt Spijkers gelijk. Hoewel
hij en defensie overeenkwamen dat de schadevergoeding vrij van belasting zou
worden overgemaakt, meldt de belastingdienst zich met een aanslag van 915.123
euro (journalist Willem Oltmans overkwam hetzelfde toen hij na decennia procederen
tegen de Staat voor 3,6 miljoen euro schadeloos werd gesteld).
Klokkenluiders als Fred Spijkers stellen misstanden aan de kaak. In een brief
aan Ad Bos, de klokkenluider die de bouwfraude aanzwengelde, noemt premier
Balkenende dat de plicht van iedere burger. ‘Vanuit de maatschappelijke
plicht die op eenieder rust om misstanden in de samenleving aan het licht te
brengen, vloeit voort dat u heeft gehandeld zoals u had moeten doen,’ schrijft
Balkenende als hij Bos in 2004 een schadevergoeding weigert. Bos bleef als
gevolg van de bouwfraude financieel geruïneerd achter. Spijkers verging
het nog beroerder. Hij wordt als klokkenluider al 21 jaar door defensie misleid,
getreiterd en bedreigd.
Gedurende het onderzoek is het ministerie van Defensie meerdere malen om een reactie gevraagd. Woordvoerder Sascha Louwhoff liet weten dat het ministerie afziet van een reactie. “Defensie en de heer Spijkers hebben een streep onder de zaak gezet. Defensie voelt zich mitsdien niet vrij over deze zaak van gedachten te wisselen.”
De AP-23 was een prestigewapen van Nederlandse makelaardij. De mijn werd ontworpen om effectief te doden en dat is precies wat de landmijn deed. Maar niet alleen de vijand. Bovendien werd het gebrekkige wapen nog geëxporteerd toen het al verboden was.
Pas als dertien jaar na de ongelukken actualiteitenrubriek NOVA aandacht
aan de levensgevaarlijke mijnen besteedt, wordt de Tweede Kamer gealarmeerd.
Toenmalig staatssecretaris Jan Gmelich Meijling (VVD) kan niet voorkomen
dat de Nationale Ombudsman opdracht krijgt de ongelukken met de AP-23 te
onderzoeken. Het eindrapport veegt de vloer aan met defensie en noemt de
manier waarop defensie voorschriften negeerde en nabestaanden misleidde ‘onthutsend’.
De mijn werd in de jaren zestig ontwikkeld als wapen in de Koude Oorlog.
Een jaar nadat de eerste partijen door fabrikant Eurometaal aan Defensie
worden geleverd, keurt de dienst van de kwartiermeester-generaal op 12 februari
1969 een partij van 1002 landmijnen af. Maar op de geheime keuringsuitslag – ondertekend
door kapitein A. A. Sip– is het woord afgekeurd doorgehaald.
Erboven staat het woord goedgekeurd geschreven.
In 1970 constateert ook de Munitie Onderzoekingsdienst (MOD) een levensgevaarlijke
constructiefout. De AP-23 wordt officieel verboden, maar in strijd met de
voorschriften in het grootste geheim op grote schaal verder geproduceerd.
Waarom defensie het verbod negeerde, vertelt het rapport van de Ombudsman
niet. In defensiekringen wordt als verklaring gegeven dat enkele topambtenaren
een patent op de AP-23 hadden. Zij zouden zich in tot ver in de jaren tachtig
hebben verrijkt door de mijn te exporteren. Die illegale uitvoer verliep
destijds via ambassades en de Portugese munitiefabriek Extra. Vooral de Portugal-route
werd gebruikt als bij transacties het Nederlandse beleid ten aanzien van
wapenexportvergunningen moest worden omzeild.
De Nederlanders leverden aan Portugal en de Portugezen aan Zweedse bemiddelaars
die het wapentuig naar de eindbestemming brachten. Zo leverden Nederlandse
wapenfabrikanten decennia lang explosieven (en nachtkijkers en gifgassen)
aan ‘verboden’ landen als Irak en Iran die in een bloedige oorlog
waren verwikkeld.
Niet alleen het productieverbod uit 1970 verdween in een bureaula, ook over
de ongelukken van 1983 en 1984 met de AP-23 mocht omwille van de handel niets
negatiefs naar buiten worden gebracht. Op basis van frauduleuze processen-verbaal
van de marechaussee, opgemaakt onder verantwoordelijkheid van kolonel Diederik
Fabius, kregen de slachtoffers de schuld in de schoenen geschoven. Na het
fatale ongeluk in 1984 hoorde Fabius een tiental getuigen in het kader van
een justitieel onderzoek. In het door hem op 12 april van dat jaar ondertekende ‘proces-verbaal
van bevindingen’ stelt Fabius dat mijntester Ovaa zelf schuldig was
aan het ongeval en dat de mijn prima functioneerde. Een jaar eerder worden
twee onderofficieren door het Hoger Militair Gerechtshof niet vervolgd voor
dood door schuld, omdat Fabius de conclusie trekt dat de omgekomen instructeur
alleen verantwoordelijk was voor het ongeluk. Beide onderzoeken worden door
de Ombudsman gekraakt. (De reputatie van Fabius is dubieus. Eind jaren negentig
speelde hij als bevelhebber van de marechaussee een belangrijke rol bij de
verdwijning van de beroemde fotorolletjes uit Srebrenica. Op deze foto’s
zouden schendingen van mensenrechten, gepleegd door Nederlandse militairen,
zijn te zien).
26 jaar na het eerste verbod begint defensie met het opruimen van de voorraad
AP-23 mijnen. In 1997 waren er volgens het rapport van de Ombudsman 24.953
mijnen vernietigd. De toenmalige staatssecretaris Gmelich Meijling stelde
in 1997 aan de Tweede Kamer voor de laatste 20.000 instabiele AP-23 mijnen
vanuit de opslagplaats in Hoogeveen met vrachtwagens naar een gespecialiseerd
vernietigingsbedrijf in Frankrijk te vervoeren. Of dat levensgevaarlijke
transport daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, laat de Ombudsman onvermeld.
Bronnen binnen defensie beweren dat een deel van de voor vernietiging bestemde
AP-23 mijnen (en andere in onbruik geraakte explosieven) weliswaar in 1998
uit de militaire opslagplaatsen en voorraadlijsten werd verwijderd, maar
niet vernietigd.
Het transport van de uiterst gevaarlijke landmijnen zou te grote logistieke
problemen en risico’s met zich mee hebben gebracht. Als oplossing werd
een deel van de explosieven opgeslagen op particuliere opslagterreinen. Zo
had defensie tenminste ‘op papier’ aan zijn verplichtingen voldaan
om de explosieven op te ruimen en kon in alle rust naar een oplossing voor
het transport worden gezocht.
De meest concrete bevestiging voor deze lezing is het verhaal van twee militair
getrainde experts op het gebied van gevaarlijke stoffen die tijdens de vuurwerkramp
in Enschede als hulpverleners in het rampgebied werkten.
Als op 13 mei 2000 de vuurwerkopslagplaats van SE Fireworks ontploft, behoren
de ervaren hulpverleners tot de eersten die in de door de explosie weggevaagde
wijk Roombeek naar slachtoffers zoeken. Tot hun verbijstering vinden zij
delen van ontstekingmechanismen van militaire explosieven, mogelijk ook van
AP-23 landmijnen. Daags na de ramp brengen de hulpverleners rapport uit.
Prompt worden ze weggestuurd met de mededeling dat zij hun bevindingen vooral
niet wereldkundig moeten maken. In de weken na de ramp worden de hulpverleners
diverse keren anoniem gebeld en met de dood bedreigd.
Officiële onderzoeksrapporten naar aanleiding van de vuurwerkramp maken
geen melding van de aanwezigheid van militair wapentuig. Wel wordt defensie
verweten dat het ministerie zeer onzorgvuldig is geweest bij het verstrekken
van vergunningen aan SE Fireworks.
Meld je nu aan voor de nieuwsbrief van Emile Roemer en belangrijk nieuws van de SP: