Op verzoek van het partijbestuur van de SP ben ik nagegaan wat de aard en oorsprong is van de problemen die Tweede Kamerlid Ali Lazrak met geledingen en personen in de SP heeft. Dit is het feitenoverzicht dat ik heb samengesteld om inzicht in de aard van het conflict te geven en een aantal zaken vast te stellen.
Voor het opstellen van dit overzicht heb ik inzage gekregen in de onderlinge
correspondentie tussen Ali Lazrak, fractievoorzitter Jan Marijnissen
en Agnes Kant, die in de fractie voor de begeleiding van Ali zorgde.
Ook heb ik inzage gehad in de correspondentie tussen Ali en SP-penningmeester
Marga van Broekhoven en de gegevens bij de financiële administratie
van de SP inzake de afdrachten van en betalingen aan Ali. Mijn eigen
correspondentie met Ali heb ik eveneens nagelopen. Ik heb in de afgelopen
twee jaar veelvuldig contact met hem gehad in het kader van algemene
begeleiding van nieuwe Kamerleden.
Dit feitenoverzicht is gemaakt op basis van deze gegevens en de gesprekken
die ik heb gevoerd met de partijsecretaris, de penningmeester, de fractievoorzitter/partijvoorzitter,
alle leden van de Tweede Kamerfractie, een aantal beleidsmedewerkers
van de Kamerfractie enkele andere betrokkenen.
Dit verslag dient ter voorbereiding op het vervolggesprek dat ik maandag
19 januari 2004 zal hebben met Ali Lazrak. Het wordt voor commentaar
ook voorgelegd aan partijsecretaris Paulus Jansen, penningmeester Marga
van Broekhoven en voorzitter/fractievoorzitter Jan Marijnissen.
In 2002 stelde Ali Lazrak zich op verzoek van de door de SP ingestelde selectiecommissie, kandidaat voor een plaats op de lijst voor de verkiezingen van de Tweede Kamer op 15 mei 2002. Zijn inhoudelijke analyse van de integratieproblematiek en zijn daarop gebaseerde kritiek op het gevoerde integratiebeleid sloten goed aan bij de opvattingen van de SP. Ali had op tal van manieren ervaringen opgedaan als migrant in Nederland en had als maker van radioprogramma’s voor Marokkaanse Nederlanders, een naam opgebouwd als eigenzinnig criticus. Hij was al langere tijd een van de adviseurs van de SP inzake integratie. Hij was verder medeopsteller van de nota ‘Van apart naar samen’ die begin 2002 verscheen. De nota bevatte een overzicht van voorgestelde maatregelen ter bevordering van de integratie van migranten in de Nederlandse samenleving en was één van de speerpunten van de SP in de verkiezingscampagne.
Voorafgaand aan zijn kandidaatstelling werden met hem de politieke uitgangspunten
van de SP doorgesproken; geconstateerd werd dat Ali zich in de hoofdlijnen
goed kon vinden. Verder werden hem de in de SP geldende regels inzake
financiële afdracht door volksvertegenwoordigers uitgelegd: Kamerleden
dragen de schadeloosstelling die zij van de Kamer ontvangen, af aan
de SP en ontvangen van de SP een ongeveer modaal salaris, alsmede een
vergoeding voor feitelijk gemaakte kosten. Ali Lazrak gaf aan daarmee
akkoord te gaan.
Op19 januari stemde het partijcongres in met de kandidatuur van Ali
Lazrak. Op 15 mei groeide de SP-fractie van 5 naar 9 zetels en was
Ali een van de gekozenen.
Op 21 mei 2002, na zijn verkiezing als Kamerlid, ondertekende Ali ter bevestiging een schriftelijke verklaring over zijn bereidheid de geldende afdrachtregeling na te komen; ook verklaarde hij dat hij bereid was in geval de partij hem daarom zou verzoeken, zijn zetel vrij te maken.
Na zijn installatie als Kamerlid werd afgesproken dat Ali Lazrak in
de SP-fractie de portefeuille integratiebeleid en media voor zijn rekening
zou gaan nemen. Afgesproken werd dat hij als nieuw Kamerlid begeleid
zou worden door Agnes Kant. Het blijkt dat er voortdurend en veelvuldig
contact tussen Lazrak en Kant is geweest over de portefeuille integratiebeleid.
Daarnaast werd een beleidsmedewerker integratiebeleid aangesteld.
Met mediabeleid heeft Lazrak zich niet veel beziggehouden. Lazrak en
Kant zouden naast het Kamerwerk ook ondersteuning geven aan een SP-onderzoek
onder Turkse en Marokkaanse Nederlanders. Dat onderzoek is eind 2002
voorbereid, heeft in 2003 plaatsgevonden en is eind 2003 afgerond.
Op 18 september 2002 werd door de Kamer de motie-Marijnissen aangenomen, waarin verzocht werd om een parlementair onderzoek naar het integratiebeleid van de afgelopen decennia. Op dat onderzoek had de SP al enkele jaren aangedrongen. Ali Lazrak verklaarde namens de SP dat iedereen, ongeacht zijn politieke positie, erg blij mocht zijn met dit Kamerbesluit omdat er na jaren van pappen en nathouden nu echt bekeken zou gaan worden wat er waarom verkeerd gegaan was en hoe het in de toekomst beter zou kunnen gaan. Voorafgaand aan zijn verkiezing tot Kamerlid hadden Lazrak en Marijnissen bij verschillende gelegenheden op het belang van dit onderzoek gewezen.
Op 6 november 2002 vond de behandeling plaats van de begroting integratiebeleid. Ali Lazrak trad op als woordvoerder. Zijn optreden was volgens de fractievoorzitter en de meest berokken Kamerleden volstrekt onvoldoende. Tijdens een bespreking op de werkkamer van de fractievoorzitter constateerde die dat het beter leek dat Lazrak tijdelijk zou terugtreden als woordvoerder omdat hij dat nog niet aankon. Ali Lazrak betwistte die beslissing niet. Het woordvoerderschap werd tijdelijk overgenomen door Agnes Kant; Lazrak bleef wel de rest van de portefeuille integratiebeleid doen. Lazrak gaf aan een aantal mensen in zijn omgeving te kennen dat hij zich onheus behandeld voelde. Hij kwam echter in het fractieoverleg noch in gesprekken met de fractievoorzitter op de kwestie terug.
Op 23 november 2002 ging het partijcongres wederom akkoord met de kandidatuur van Ali voor de Tweede Kamer; eerder al had Jan Marijnissen aan de selectiecommissie laten weten prijs te stellen op de herverkiezing van Ali.
Die dag, 23 november 2002, ondertekende Ali opnieuw een verklaring dat
hij akkoord was met de in de SP geldende afdrachtregels.
De afdrachtafspraak over 2002 was hij toen nog niet nagekomen. In januari
2003 vonden daarover enkele gesprekken plaats tussen Ali en de penningmeester
van de SP, Marga van Broekhoven, die belast is met het toezicht op
deze afspraken. Daarin verklaarde Lazrak dat er geen reden was om te
twijfelen aan zijn bereidheid zijn afspraken na te komen. In het voorjaar
van 2003 is hij die toezegging nagekomen.
Op voorstel van Marijnissen werd door de fractie besloten om Ali Lazrak als vertegenwoordiger af te vaardigen naar de parlementaire onderzoekscommissie integratiebeleid, nadat Agnes Kant de fractie had vertegenwoordigd in de voorbereidende commissie. Ali Lazrak zei tegen Marijnissen zeer te spreken te zijn over dat besluit en het te zien als een blijk van hersteld vertrouwen.
Na zijn aantreden in de commissie ging Ali als vice-voorzitter van de commissie aan de slag. Hij gaf aan voor andere zaken geen tijd te hebben vanwege het grote tijdbeslag dat het commissiewerk vergde. Na enkele maanden beklaagde hij zich bij zijn begeleider en mij over de gang van zaken in de commissie. Ook klaagde hij over gebrek aan ondersteuning voor zijn werk in de commissie. Probleem was echter dat binnen de commissie afgesproken was dat het werk van de commissie vertrouwelijk diende te blijven. Afgesproken werd dat, met respect voor de in de commissie gemaakte afspraken, er voortaan overlegd zou kunnen worden met mij over de werkwijze van de commissie en de beste opstelling van Ali. In april 2004 werd overigens een nieuwe beleidsmedewerker integratiebeleid aangesteld, nadat er een vacature was ontstaan.
Gevolg van de toetreding tot de commissie was dat Lazrak niet zou kunnen optreden als woordvoerder integratie; daarom bleef het woordvoerderschap integratiebeleid vooralsnog bij Kant. Lazrak werd vrijgesteld voor zijn werk in de commissie.
Op 2 september 2003 vond een gesprek plaats met Jan Marijnissen over het functioneren van Ali en de onvrede van Ali over het functioneren van de fractie; dat gebeurde in aanwezigheid van Agnes Kant en mij. In het gesprek werd over en weer stevig commentaar geleverd en kritiek geuit maar het eindigde met de gezamenlijke vaststelling dat de lucht geklaard leek en er zicht was op betere samenwerking. Politiek-strategische kwesties zou Ali voortaan met de fractievoorzitter bespreken.Verder zou de afronding van het SP-onderzoek naar de opvattingen van Turkse en Marokkaanse Nederlanders voortvarend ter hand genomen worden.
Op 14 september 2003, aan de vooravond van de openbare verhoren door
de parlementaire onderzoekscommissie integratiebeleid deelde Ali Lazrak
mee dat hij besloten heeft uit de commissie te stappen en de commissie
daar de volgende week van op te hoogte te zullen brengen.
Lazrak’s kritiek op de commissie betrof een vijftal punten: het
verrichte bronnenonderzoek door een bureau dat volgens hem niet onpartijdig
was; de selectie van door de commissie te horen mensen; te weinig ruimte
voor de bevolking om mee te praten; het voornemen om een aantal gehoorde
mensen niet uit te nodigen voor de openbare hoorzittingen en de te
beperkte vraagstelling tijdens de a.s. openbare hoorzittingen.
Naar aanleiding van die mededeling werd er een afspraak gemaakt voor 17 september met Agnes Kant en mij om Ali’s voornemen te bespreken. Tijdens dat gesprek vertelde Ali dat hij zijn beslissing inmiddels al heeft meegedeeld aan voorzitter Blok van de commissie. In datzelfde gesprek liet hij weten binnen enkele weken zijn Kamerlidmaatschap te zullen opgeven. Agnes Kant stelde voor om dat nog eens te overdenken maar dat werd door Ali afgewezen. Zijn besluit stond vast. Daarop werd afgesproken om eerst de kwestie rondom het uittreden uit de commissie zo goed mogelijk af te werken en daarna tot een afronding van het Kamerlidmaatschap te komen.
De fractie keurde het zonder overleg opstappen uit de commissie af, omdat zij daarmee voor een voldongen feit werd geplaatst, in een voor de fractie en de SP zo belangrijke kwestie. In verklaringen naar buiten toe werd Lazrak’s constatering dat het voor hem persoonlijk onmogelijk geworden was om verder werken in de commissie, gerespecteerd. De inhoudelijke kritiek op het door het voor de commissie verricht vooronderzoek werd op hoofdlijnen onderschreven. Fenna Vergeer werd door de fractie als opvolgster van Ali Lazrak in de commissie gekozen.
Het werd door de fractie ongepast gevonden om Lazrak op dat moment de
portefeuille integratie te geven; hij zou dan als uitgetreden lid van
de onderzoekscommissie het resultaat van de commissie namens de SP
in de Kamer moeten bespreken.
Ali Lazrak betwistte die beslissing niet.
Het opstappen van Ali uit de commissie werd breeduit in de media behandeld. Zijn kritiek op het bronnenonderzoek leidde tot openbaarmaking van dat onderzoek en tot een publieke discussie over de vermeende verwevenheid van onderzoekers en beleidsmakers. In zijn kritiek kon Ali in hoofdlijnen rekenen op steun van de fractie.
Sedert zijn opstappen uit de onderzoekscommissie heeft Lazrak niet meer
deelgenomen aan het wekelijkse fractieoverleg en heeft hij zijn diensten
niet aangeboden voor ander werk van de fractie op andere beleidsterreinen.
Wel heeft hij nog meegewerkt aan de afronding van een onderzoek onder
Turkse en Marokkaanse Nederlanders dat in samenwerking met het wetenschappelijk
bureau van de SP en een aantal partijafdelingen is verricht.
Op 19 november verklaarde Ali in een gesprek met mij dat hij nog
steeds vasthield aan zijn beslissing om de Kamer te verlaten. Hij
dacht dat binnen ongeveer anderhalve maand te doen. Eerst wilde
hij problemen rondom zijn a.s. scheiding goed oplossen.
Op 23 november 2003 liet Ali per mail weten ontevreden te zijn over zijn positie; hij meldde dat hij zich lamgelegd voelde na zijn uittreden uit de onderzoekscommissie, dat hij over 2003 de door hem afgesproken afdracht niet zou doen en dat hij terugkwam op zijn eerdere beslissing om uit de Kamer te stappen.
Op 24 november stelde Ali in een gesprek met Jan Marijnissen en mij voor dat hij zijn werk voor de fractie zou hervatten na het Kamerreces maar dat hij voortaan zelf zou uitmaken of hij zich al dan niet aan de afgesproken afdrachtregeling zou houden. Marijnissen stelde dat Lazrak zich als ieder Kamerlid aan de geldende afspraken diende te houden, zowel qua werkwijze als afdracht. Het gesprek eindigde zonder conclusie.
Vanaf begin december 2003 verschenen er berichten in de media over een
conflict tussen Ali Lazrak en de SP over de afdrachtregeling. In januari
2004 meldde Ali in verschillende media dat er ernstige problemen waren
tussen hem, de fractievoorzitter en de SP..
Hij liet weten zich niet meer aan de afgesproken afdrachtregeling te
zullen houden, hij voelde zich slecht behandeld door fractievoorzitter
Marijnissen en hij was naar zijn oordeel binnen de fractie lamgelegd
sinds zijn vertrek uit de parlementaire onderzoekscommissie.
Het SP-bestuur maakte daarop bekend dat er inderdaad problemen waren
en dat er naar een oplossing werd gezocht. Op verzoek van het bestuur
maakte ik een afspraak met Ali voor 15 januari. Na afloop van dat gesprek
werd vastgesteld dat de moeilijkheden groot waren maar alle oplossingsopties
nog open.
1
Ik stel vast dat Ali Lazrak in de fractie in 2002 begonnen is als woordvoerder
integratiebeleid en mediazaken. Het woordvoerderschap integratiebeleid
is daarna tijdelijk overgenomen door Agnes Kant; daarna is Lazrak
herkozen in de Kamer in januari 2003 en door de fractie afgevaardigd
naar de parlementaire onderzoekscommissie integratiebeleid. Lazrak
is in september 2003 uit die commissie gestapt, zonder overleg
met fractievoorzitter en fractie. Sindsdien heeft hij zich iet
meer beschikbaar gesteld voor ander werk en heeft hij niet meer
deelgenomen aan het fractieoverleg. Dat heeft de relatie met de
overige fractieleden ernstig verstoord. Alle fractieleden hebben
tegenover mij verklaard zeer te hechten aan het nakomen van de
regel dat belangrijke beslissingen in gezamenlijk overleg genomen
worden. Dat is ook conform de door het partijcongres bij de vaststelling
van de kandidatenlijst uitgesproken wens om vooral een ‘team’ van
Kamerleden te hebben.
Ik dat verband stel ik ook vast dat er een verschil van mening is tussen
Ali en de rest van de fractie inzake de fractiemedewerkers. Dat blijkt
uit de recente opmerking van Lazrak over ‘het afnemen van een
persoonlijk medewerker’. Medewerkers van de SP-fractie zijn echter,
volgens de rest van de fractie, geen persoonlijke medewerkers maar
beleidsmedewerkers, die aan een of meer portefeuilles gekoppeld zijn.
Er is dan ook steeds een beleidsmedewerker integratiebeleid geweest
om Lazrak in zijn portefeuille bij te staan. Overigens kunnen alle
Kamerleden gebruik maken van de ondersteuning van algemene medewerkers,
een persmedewerker en administratieve en organisatorische ondersteuning
door het partijbureau.
De opmerking van Lazrak over ‘afnemen van een medewerker’ is
overigens feitelijk onjuist. Per 1 januari heeft de beleidsmedewerker
integratiebeleid voor een andere baan buiten de fractie en de SP gekozen,
zodat er nu een vacature is. Van het door Ali gelegde verband is geen
sprake, zo verklaarde de betreffende medewerker aan mij.
2
Ik stel vast dat er relatief weinig contact is geweest tussen fractievoorzitter
Marijnissen en Lazrak. Dat is door beiden ook niet gezocht of gevraagd.
Marijnissen is van mening dat er duidelijke afspraken zijn gemaakt
over de begeleiding van Lazrak door Kamerlid Kant, zoals er voor
andere relatief nieuwe Kamerleden vergelijkbare begeleiding is
afgesproken. Lazrak vindt dat Marijnissen meer contact met hem
had moeten zoeken. Daarnaast is hij ontevreden over de opstelling
van Marijnissen in enkele van de gesprekken die hebben plaatsgevonden.
Hij voelt zich daarin ‘publiekelijk gekleineerd’. Hij verwijst
daarbij met name naar één voorval op 6 november 2002,
in aanwezigheid van enkele bij het onderwerp betrokken Kamerleden op
de werkkamer van de fractievoorzitter, naar aanleiding van het optreden
van Lazrak bij de plenaire behandeling van de begroting voor integratiebeleid.
Het is duidelijk dat Lazrak nog steeds van mening is dat hij daar onheus
toegesproken is. Hij heeft de gang van zaken noch de daar gemaakte
afspraken echter ooit betwist in een vervolggesprek met Marijnissen
en evenmin in het fractieoverleg. Kort na het voorval hebben beiden
ingestemd met herverkiezing van Lazrak als Kamerlid. Op 23 november
plaatste het partijcongres opnieuw op de kandidatenlijst, waarna hij
op 22 januari herkozen werd. Marijnissen zelf stelde de fractie voor
Lazrak als afgevaardigde te benoemen in de voor de SP zeker prestigieuze
parlementaire onderzoekscommissie integratiebeleid, die kort na de
verkiezingen van januari 2003 aan de slag ging.
Overigens stel ik vast dat zowel Lazrak als Marijnissen vinden dat
de relatie tussen hen beiden geen belemmering zou hoeven te zijn voor
verdere samenwerking in de fractie. Lazrak vindt dat Marijnissen zijn
manier van optreden dient te verbeteren en hem meer ruimte moet geven;
Marijnissen vindt dat ieder Kamerlid de ruimte heeft en ook moet hebben,
om zich te manifesteren. Het fractiewerk dient te worden verricht in
goed overleg met respect voor gemaakte afspraken.
3
Ik stel vast dat Lazrak zijn afdrachtafspraak over 2003 niet nagekomen
is, maar eerst op 23 november 2003 dat ook als zodanig gemeld heeft.
Tot die tijd zijn er juist toezeggingen van zijn kant om de afspraak
wel na te leven.
De mededeling van Lazrak dat hij moest rondkomen van 1900 euro per
maand, is feitelijk onjuist. Over 2003 ontving Lazrak van de Kamer
netto 65.178,96 euro. Daarnaast ontving hij maandelijks van de SP de
afgesproken vergoeding voor SP-Kamerleden, in totaal 21.604,82 euro.
In plaats van de overeengekomen afdracht van 65.178,96 euro maakte
Lazrak 18.563,16 euro over naar de SP.
Per saldo ontving hij over 2003 naast de volledige schadeloosstelling
die alle 150 Kamerleden ontvangen, dus nog ruim 3000 euro extra van
de SP. In die zin is hij van alle 150 Kamerleden in 2003 het best betaalde
Kamerlid geweest.
De penningmeester van de SP verklaarde desgevraagd dat zij ondanks
het niet-nakomen van de afdrachtregeling door Lazrak in 2003, is doorgegaan
met de maandelijkse betaling aan Lazrak vanwege zijn herhaalde verklaring
dat hij volledig bereid was zijn verplichtingen na te komen. Pas nadat
op 23 november 2003 Lazrak meldde zijn afdracht over 2003 niet te zullen
doen, zijn door de penningmeester de maandbetalingen aan hem stopgezet.
Ik stel vast dat het niet-nakomen van de afdracht in strijd is met
de sinds jaar en dag in de SP geldende regel, laatstelijk bekrachtigd
door het partijcongres op 24 mei 2003. Het is ook in strijd met een
tot tweemal toe door Lazrak getekende verklaring en een aantal schriftelijke
beloften aan de penningmeester van de SP in de loop van 2003.
Ik stel vast dat er derhalve sprake is van een onverschuldigde betaling
door de SP aan Lazrak van 21.604,82 euro.
De mededeling van Ali Lazrak dat hij weliswaar tot tweemaal toe schriftelijk
ingestemd heeft met de afdrachtregeling maar dat hij zich daartoe gedwongen
voelde omdat de verklaringen hem twee dagen voor de verkiezingen werden
voorgelegd, zijn feitelijk onjuist. De eerste verklaring ondertekende
hij een week ná de verkiezingen van 15 mei 2002, de tweede twee
maanden vóór de verkiezingen van 2003.
Ik stel op dit punt ook nog vast dat alle overige Kamerleden van de
SP de door hen geaccordeerde afdrachtregeling naleven en de penningmeester
van de SP stipt haar verplichtingen jegens de Kamerleden nakomt.
Tot slot stel ik vast dat de vergoeding die Kamerleden van de SP ontvangen
in het afgelopen jaar naar boven is bijgesteld. Op dit moment is de
maandelijkse vergoeding 2.085 euro, naast de feitelijke vergoeding
van gemaakte onkosten.
Alles overziende zie ik drie oplossingen van het gerezen conflict:
1
Ali Lazrak gaat verder als lid van de SP-fractie en houdt zich net
als de andere fractieleden aan de geldende afspraken inzake politieke
opstelling, werkwijze en collegialiteit. Voor allen geldt dat de
fractie als team dient te functioneren. Overeenkomstig de door
hem getekende verklaring houdt hij zich gedurende deze periode
aan de afgesproken afdrachtregeling, onverlet zijn en ieders recht
om de juistheid van die regeling te bediscussiëren en met
voorstellen ter verandering te komen.
2
Ali Lazrak maakt gebruik van de formele mogelijkheid om zich af te
splitsen en gaat zelfstandig verder. Dat is echter in strijd met
de parlementaire mores, zoals Kamervoorzitter Weisglas onlangs
nog benadrukte; ook is het strijdig met de toezeggingen aan de
kiezers en de door Lazrak tot tweemaal toe getekende verklaring
dat hij bij een conflict met de SP zijn zetel ter beschikking zal
stellen.
3
Ali Lazrak blijft bij zijn vaststelling dat hij goede redenen heeft
om de afdrachtregeling niet langer correct te vinden, om zijn handelswijze
inzake het opstappen uit de parlementaire onderzoekscommissie nog
steeds juist te vinden en om de relatie met fractievoorzitter Marijnissen
dusdanig verstoord te achten dat verdere samenwerking niet wenselijk
is. Hij laat de SP weten dat hij in deze omstandigheden niet langer
in staat is goede invulling aan het Kamerlidmaatschap voor de SP
te geven en stelt zijn zetel ter beschikking.
Tilburg, 18 januari 2004
Tiny Kox
Teken ook het manifest
‘1 voor allen’