5 april 2004
Voorzitter. Sinds ik van 1987 tot 1991 coördinator van het Bureau Vertrouwensarts van Groningen en Drenthe was, is er veel veranderd binnen de jeugdzorg. Er werd in die tijd onder leiding van het Bureau Vertrouwensarts veel met hulpverleners over gezinnen gepraat, maar er werd weinig met meldingen naar het gezin zelf gedaan. Ik kreeg vaak de indruk dat eerder de angst hoe ouders zouden reageren op de veelal anonieme melding dan de ambitie om een kind te beschermen, de overhand had. Gefrustreerd door de onmachtigheid en overigens ook de ondoorzichtigheid van het bureau voor melders en publiek – je meldde maar wat daarna gebeurde was volstrekt onduidelijk – hield ik het na vier jaar voor gezien. Ik verwachtte dat ik in mijn dagelijkse werk als huisarts veel directer iets aan signalering en preventie van kindermishandeling zou kunnen doen. Nait souzen maar doun, was in die tijd mijn uitgangspunt.
Dat ik vandaag na dertien jaar op deze plaats toch weer praat over jeugdzorg, had ik toen niet kunnen vermoeden. Jeugdzorg moet je doen. Ik denk daar nog steeds zo over.
We behandelen vandaag in deze Kamer de Wet op de jeugdzorg. Deze wet werd op 24 juni 2003 in de Tweede Kamer aangenomen en wordt pas negen maanden later in deze Kamer besproken. In de voorbereiding voor de plenaire behandeling bleken twee inbrengrondes amper voldoende om alle onduidelijkheden weg te nemen. Dat we vandaag, nog weer vier weken vertraagd, wel aan de plenaire behandeling toe zijn, betekent geenszins dat deze wet een voldragen kind is geworden. Mijn fractie heeft nog steeds grote zorgen over de levensvatbaarheid van deze wet.
Volgens de kernindicatoren wachtlijsten jeugdzorg werden in het eerste halfjaar van 2003 26.318 jongeren van 0 tot 18 jaar aangemeld bij een Bureau jeugdzorg. Dat is 0,74% van het totale aantal van 3.573.319 jongeren van die leeftijd. Met heel veel jonge mensen gaat het dus wel goed. Zij zijn van voor hun geboorte gewenst, hebben een jeugd vol liefde en krijgen kansen in overvloed. Onze samenleving mag daar trots op zijn! Maar wat als een kind niet is gewenst, ongewenst gedrag vertoont of niet voldoet aan de verwachtingen van de ouders? Dan heeft het kind recht op jeugdzorg, want de Wet op de jeugdzorg regelt het recht op jeugdzorg voor de jeugdige en zijn stiefouders, pleegouders, eigen ouders of verzorgers en legt de verantwoordelijkheid, de zorgplicht, bij de provincies.
De toegang tot de jeugdzorg wordt geregeld via één loket, het Bureau jeugdzorg. Dit bureau dient doelmatig, doeltreffend en cliëntgericht te werken. De geïndiceerde zorg moet zo dichtbij mogelijk, zo kort en zo snel mogelijk in de minst ingrijpende vorm worden geformuleerd en geleverd. Het aanbod dient de vraag te volgen. De financiering zou eenduidig moeten zijn en op basis van het indicatiebesluit en het benodigde zorgaanbod, de zogenaamde p x q formule, tot stand moeten komen. De verantwoordelijkheid, het toezicht en de aansturing dienen helder te zijn. De wachtlijsten en de wachttijden dienen vastgelegd en bestreden te worden. Er zal een samenhangend pakket voor jeugdzorg komen op lokaal, provinciaal en landelijk niveau.
Het recht op jeugdzorg staat echter op gespannen voet met budgettering en kostenbeheersing. Wie moet het zeggen als een aanspraak niet verwezenlijkt kan worden, dat er geen geld is en dat het recht een loos recht is? Hoe kan vraagsturing echt van de grond komen als het budget vaststaat? Met het Bureau jeugdzorg lijkt een knooppunt van wachttijden en wachtlijsten te ontstaan. Er is één voordeel: het is nu in ieder geval inzichtelijk. De wet die nu voorligt, is een compromis en geeft de indruk dat Haagse beleidsmakers zonder veel kennis van de dagelijkse praktijk getracht hebben een kilo aardappelen in een pondzak te stoppen. De wet wordt door het veld dan ook als een knellend korset ervaren. Zij gaat, zoals mijn collega Soutendijk al verwoordde, langs de kern van het probleem.
De hele wet wekt de indruk dat de praktische uitvoerbaarheid ervan ver af staat van de dagelijkse realiteit. Wat hebben kinderen en jongeren in problemen nu aan deze wet? Wordt de hulp hier beter van? Komt er meer hulp? Is het makkelijker om hulp te krijgen? Het staat vast dat er veel problemen zijn. Elke dag is er wel iets over te lezen in de krant of te zien op TV. Alles duidt op toenemende problemen, op een grotere vraag, naar ook nogal eens zwaardere hulp, op meer complexe problemen en een groot tekort aan capaciteit. De wachtlijsten dijen maar uit. In een week heb ik een heel mapje met krantenknipsels vergaard. Er wordt veel over geschreven en er wordt veel over nagedacht. Zal deze wet dat allemaal beter maken? Mijn fractie denkt van niet.
Voor ik verderga, wil ik benoemen wat mijn fractie wel goed vindt aan deze wet. Ik zal ook meteen wat bezwaren noemen, waar ik dan later weer op terugkom.
De wet introduceert het recht op jeugdzorg voor jeugdigen en hun ouders. Dat vinden wij een goede zaak, hoewel wij ook vinden dat dit sinds de ratificatie van het VN-verdrag inzake de rechten van het kind door de Nederlandse regering in 1995 ook niet meer dan logisch is. Ernstige bezwaren hebben wij tegen het feit dat voor kinderen en hun ouders die illegaal in Nederland verblijven en voor de AMA's, de minderjarige asielzoekers, het recht op jeugdzorg wordt ingeperkt. Wij vinden het een goede zaak dat de provincie de zorgplicht krijgt. De jeugdige weet dan in ieder geval hij zijn recht kan halen. Dat de diagnostiek aan de poort zorgvuldig een eenduidig gebeurt, vinden wij prima. Dat het gevaar levensgroot is dat dit een enorme toename van papierwerk met zich zal brengen, vinden wij echter slecht. Wij vrezen dat de beoogde organisatie een toename van de wachttijden voor de poort en na de poort met zich zal brengen als na de indicatie op het geïndiceerde hulpaanbod gewacht moet worden.
Ook het streven naar een samenhangend hulpaanbod juichen wij toe waarbij de verschillend gefinancierde jeugdhulpverleningsinstanties nauw met elkaar dienen samen te werken. Dat de financieringsstromen niet geïntegreerd zijn, vinden wij een gemiste kans. Dat nu al duidelijk is dat het totale budget ontoereikend zal zijn, vinden wij ronduit slecht.
Wij vinden het een goede zaak dat gemeenten meer werk moeten maken van de voorliggende voorzieningen. Zowel op het gebied van welzijn als op het preventieve vlak valt nog veel winst te behalen.
Het is prima dat de Vereniging van Nederlandse gemeenten, het Interprovinciaal overleg, de Maatschappelijke ondernemersgroep en het Rijk al praten over functies, taakverdeling en taakpakketten. Het is wel zorgelijk dat veel gemeenten nog niet zo ver zijn en bovendien de kennis en financiën missen om een en ander goed op poten te zetten.
Met de integratie van de opvolger van het Bureau vertrouwensarts en het Algemeen meldpunt kindermishandeling binnen het Bureau jeugdzorg wordt de mogelijkheid geschapen om met alle beschikbare kennis een kind te beschermen en ouders en kind hulp te bieden. Ouders kunnen verplicht worden hulp te accepteren, maar ook bij het AMK nemen de wachtlijsten toe. Wie maakt dan de keus welke wachtlijst eerst aangepakt moet worden?
Met deze wet wordt gekozen voor een structuur die weinig flexibiliteit in zich heeft. Ik denk dat hiermee voorbij wordt gegaan aan een van de belangrijkste kenmerken van jongeren in ontwikkeling, namelijk dat zij in ontwikkeling zijn en dat er daarom een dynamische diagnostiek en een dynamisch, outreachend hulpaanbod moet zijn.
Dat betekent dat er voortdurend bij de poort aandacht moet zijn voor de ernst, langdurigheid en consequenties van problemen, dat er een snelle triage moet zijn en dat het mogelijk moet zijn om alvast de vinger aan de pols te houden, als iemand op de wachtlijst staat. Of je dat nu licht ambulant noemt of anders, in de jeugdzorg heeft men meer aan ruimte om met ervaring en compassie aan het werk te gaan dan aan nog meer regels en voorschriften.
Uit de speeches voor mij is gebleken dat meerdere partijen in deze Kamer vinden dat de inhoud en de randvoorwaarden van de inrichting van het stelsel van jeugdzorg onderwerp van gesprek moeten blijven, waarbij er ruimte moet zijn voor experimenten. In die zin beschouwen wij deze wet als een overgangswet. Ook dringen wij erop aan dat er voortvarend werk wordt gemaakt van de ontschotting van de financieringsstromen. De jeugdzorg lijkt ons gebaat bij één stelsel, één financieringsstroom en eenduidige aansturing. Tot zover mijn algemene opmerkingen.
Ik zal nu een aantal onderwerpen wat specifieker behandelen en wat vragen stellen aan de minister en de staatssecretaris; allereerst over het VN-verdrag inzake de rechten van het kind. Hoewel dit verdrag volstrekt duidelijk is, als het gaat om het recht op jeugdzorg voor alle kinderen die in Nederland verblijven, die “zich binnen de rechtsbevoegdheid van de verdragssluitende staat bevinden”, is dit recht in de Wet op de jeugdzorg onder verwijzing naar de Vreemdelingenwet ingeperkt voor bepaalde groepen kinderen en hun ouders, namelijk kinderen van illegalen en minderjarige asielzoekers.
Zijn de minister en de staatssecretaris op de hoogte van het rapport van januari van de VN-commissie, die in ons land onderzoek deed naar de implementatie van het verdrag, en van de constatering dat Nederland het verdrag niet goed naleeft? De commissie heeft vooral kritiek op het Nederlandse jeugdbeleid, meer specifiek op de aanpak van kindermishandeling en de schending van de rechten van het kind, als het gaat om ons asielbeleid. Willen de minister en de staatssecretaris commentaar geven op de kritiek van de VN-commissie?
De SP deelt de kritiek. Zeker jonge kinderen kunnen zelf niet kiezen voor de situatie waarin zij met hun ouders leven. Bij algemene maatregel van bestuur is de zorg voor de genoemde groepen nog enigszins omschreven, maar naar onze mening moeten wezenlijke rechten niet in een AMvB, maar in de wet worden geregeld. De keuze voor een AMvB betekent dat deze kinderen en hun eventuele ouders minder rechtsbescherming genieten dan andere kinderen.
Ook maken wij bezwaar tegen de inhoud van de AMvB, als het gaat om de beperking van de duur van het indicatiebesluit, een herbeoordeling na een halfjaar in plaats van een jaar, behandeling zo mogelijk op het terrein van het opvangcentrum en hulp alleen voor kinderen en niet voor de ouders, en alleen bij uitzondering plaatsing in een pleeggezin. Bij dit laatste punt concludeer ik dat het belang van een enkel kind moet wijken voor het belang van de natie. Zijn er werkelijk situaties geweest waarbij een illegaal in Nederland verblijvend, ouderloos kind niet in een pleeggezin is geplaatst, omdat bij langdurige plaatsing uitzetting onmogelijk is? Eerlijk gezegd ging deze logica mij boven de pet. Ik verzoek de minister dan ook om een reactie.
De VN-commissie heeft naast deze kritiek op het jeugdbeleid ook kritiek op ons net geaccordeerde uitzetbeleid, voorzover het jongeren betreft. Jonge asielzoekers op straat zetten mag niet. Ook zet de commissie grote vraagtekens bij het opsluiten van kinderen van uitgeprocedeerde asielzoekers in de vreemdelingenbewaring. Is de minister bereid het beleid in dezen te herzien in het licht van de kritiek van de Verenigde Naties?
Een laatste punt in dit verband betreft het voorkomen van genitale verminking van in ons land geboren dochters van uitgeprocedeerde Somalische asielzoekers. Zij dreigen toch uitgezet te worden tenzij hun ouders kunnen aantonen dat zij een reëel risico lopen in Somalië alsnog besneden te moeten worden. In Somalië ondergaat ook nu nog naar schatting 98% van de meisjes de ingreep in een of andere vorm. Mijns inziens is niet te bewijzen dat het risico reëel is. Aan de andere kant lijkt uitproberen ook geen optie. Genitale verminking is niet te herstellen. Als huisarts heb ik de verwoesting gezien die deze ingreep aanricht, zowel in een leven als aan een lijf. Ik verzoek de minister om een reactie, hoewel ik besef dat deze vraag ook deels op het terrein van de minister voor Vreemdelingenzaken ligt.
Ook de Nederlandse kinderrechters hebben kritiek op het huidige beleid. In een manifest geven zij aan dat zij zich ernstig zorgen maken over de langdurige en ernstige verwaarlozing van overheidsplichten als het gaat om voldoende behandelplaatsen voor gedragsgestoorde jeugdigen. Terwijl het aantal jeugdcellen wordt uitgebreid, wordt er bezuinigd op het aantal behandelplaatsen en worden kinderen in crisissituaties en zonder strafrechtelijke veroordeling samen met criminele jongeren in justitiële jeugdinrichtingen geplaatst. In een notaoverleg met de Tweede Kamer op 9 februari heeft de minister van Justitie aangegeven dat hij zo snel mogelijk, maar in ieder geval voor de zomer, met conclusies zal komen ten aanzien van de wijze waarop dit structurele probleem zou kunnen worden opgelost. Graag verneem ik van de minister hoe ver hij is met het oplossen van dit probleem. Ook wil ik graag een toezegging van de minister dat er voor het eind van het jaar een scheiding heeft plaatsgevonden tussen de civielrechtelijke plaatsingen in het kader van een crisis en plaatsingen van jeugdigen met een strafblad, met voldoende behandelplaatsen en een toereikende financiering. Als wij niet bereid zijn te investeren, kennen wij Nederland over 10 jaar niet terug, aldus de kinderrechters. De SP deelt hun zorg. Ik overweeg dan ook in tweede termijn over deze kwestie een motie in te dienen.
Dan kom ik op de spraakverwarring rond het begrip “gezinscoaches”. Collega Soutendijk heeft hier ook al over gesproken. De discussie hierover blijft onhelder. Vallen zij nu wel onder het bureau jeugdzorg? Kan het ook de gezinsvoogd zijn die in een opgelegd kader is toegevoegd en die dan ook in een vrijwillig kader wat doet? Of moeten zij via de gemeenten komen en drukken zij op het gemeentelijke budget? Kan dat dan in dat laatste geval ook in het indicatiebesluit bindend worden opgelegd? Als de deskundige op het gebied van de intake en de diagnostiek -- en dat moet het bureau jeugdzorg toch zijn -- een gezinscoach nodig vindt en dat vastlegt in het indicatiebesluit, dan moet deze er gewoon komen. Dat mag dan niet afhankelijk mag zijn van de vraag, uit welk gremium hij afkomstig is en op welke loonlijst hij staat. Juist bij complexe gezinsproblematiek is het van eminent belang dat er een duidelijke coördinator is die én het gezin bij de les houdt én ook het hulpverlenersveld bestuurt. Ik herinner mij goed uit mijn vertrouwensartstijd dat niet zelden een gezin met een complexe problematiek ook een kring van elkaar in de weg zittende hulpverleners om zich heen had verzameld, waarbij het volstrekt onduidelijk was wie nu het aanspreekpunt was. Daar zou de gezinscoach toch het antwoord op moeten zijn! Wil de staatssecretaris deze kennelijk ingewikkelde materie nog eens toelichten?
Volgens de staatssecretaris zal de voorliggende wet geen toename van het papierwerk veroorzaken. Ondanks haar geruststellende woorden betwijfelt mijn fractie dat. Met de voorgeschreven verplichting tot een helder, door vaak meerdere deskundigen gemotiveerd indicatiebesluit, dat ook nog het stempel van een gekwalificeerde gedragswetenschapper behoeft, de verplichting tot een uitgeschreven hulpverleningsplan en de verplichting tot registreren -- wat dan allemaal? -- zal de bureaucratie toenemen. Dat is de papieren tijger die een eigen leven gaat leiden, aldus collega Soutendijk. Het doet mij als huisarts sterk denken aan de zondvloed van vragen die op ons afkwam bij de instelling van de regionale indicatieorganen. Voorheen voldeed één telefoontje of één A4-tje en nadien moesten acht of meer blaadjes worden ingevuld met soms volstrekt onzinnige vragen.
Het is niet verwonderlijk dat onlangs nog J.F. Hoek in een artikel in Medisch Contact, nummer 3 van dit jaar, voorstelde om de RIO’s maar weer op te heffen. Zijns inziens zal dit alle betrokkenen ten goede komen, want uit zijn onderzoek en uit onderzoek van de Consumentenbond blijkt dat de RIO onnodige bureaucratie en ontevreden patiënten heeft opgeleverd. De hele procedure staat een snelle plaatsing of hulpverlening in de weg. In het overleg met de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris aangegeven externe deskundigen te willen vragen nog eens naar de administratieve lastendruk te kijken. Kennelijk twijfelt zij toch aan de conclusies van de Adviescommissie terugdringing administratieve lasten. Kan zij een en ander nog eens toelichten en vertellen wanneer de rapportage klaar is?
Als huisarts en rechtstreeks verwijzer naar de jeugdgeestelijke gezondheidszorg ben ik natuurlijk benieuwd wanneer ik rechtstreeks zal kunnen verwijzen. Tot nu toe is het mij niet gelukt de tekst van de betreffende AMvB te achterhalen. Kan de staatssecretaris vertellen wanneer deze beschikbaar is en hoe zij mijn beroepsgroep gaat informeren? Huisartsen achten zich bevoegd en bekwaam om indicaties voor kinder- en jeugdpsychiatrie te stellen. Zij schrijven vaak in overleg met de kinderpsychiater medicatie voor en vormen voor ouders van kinderen met een psychiatrische aandoening veelal het aanspreekpunt. Welk voordeel staat de staatssecretaris voor ogen als zij stelt dat rechtstreeks verwijzen in de toekomst alleen bij ernstige psychische – welke? – stoornissen is toegestaan en dat de verwijzer, in casu de huisarts, dit moet melden bij het bureau jeugdzorg? Ik vrees dat deze verplichting bij veel van mijn collegae op onbegrip en verzet zal stuiten. Graag krijg ik dus een toelichting en een uitleg.
De staatssecretaris heeft aangegeven dat alle jeugdigen die ten tijde van de inwerkingtreding van de wet op de wachtlijst staan binnen een halfjaar over een indicatiebesluit moeten beschikken dat hen het recht op jeugdzorg verschaft. Kan de staatssecretaris aangeven om hoeveel besluiten het zal gaan en is zij het met ons eens dat dit een extra druk op de wachtlijsten voor de poort zal geven? Is zij van plan deze operatie extra te faciliteren?
Ik maak nog enige opmerkingen over de jeugdreclassering. Omdat mijn zoon in Groningen werkzaam is als jeugdreclasseerder hoor ik nog wel eens wat over de dagelijkse gang van zaken en de frustraties waar je op dit gebied tegen bestand moet zijn. Allereerst is het eigenlijk verbazingwekkend dat een onderwerp als veiligheid en criminaliteit en dan in het bijzonder jeugdcriminaliteit, dat tijdens de verkiezingen door vrijwel alle politieke partijen als belangrijk item benoemd werd, toch weer belast gaat worden met bezuinigingen. Er is momenteel sprake van een groeibudget. Dat wil zeggen dat iedere cliënt die erbij komt ook gefinancierd wordt. De bedoeling is echter dat deze financiering verandert in een budget dat werkt met een peildatum. Eens per jaar zal gekeken worden hoeveel cliënten er zijn en hierop wordt het budget berekend voor het aankomende jaar. In Groningen was in 2003 sprake van een groei van 31% van het aantal cliënten van de jeugdreclassering. Dat is dus veel meer dan de 10% die ik eerder hoorde noemen. Uitbreiding van de formatie kan altijd pas na een jaar plaatsvinden en dat betekent een toename van de caseload. Hetzelfde geldt overigens voor de gezinsvoogdij. Veelal wordt een caseload gehanteerd van 22 cliënten met een meervoudige problematiek.
Veel hulpverleningsinstellingen zien allerlei contra-indicaties voor opname van deze jongeren: ze gebruiken drugs, ze zijn te oud, de gedragsproblematiek is te heftig en er zijn wachtlijsten. Het gevolg is dat jongeren te lang thuiszitten en niet kunnen doorstromen naar de hulpverlening die zij eigenlijk nodig hebben, maar wel allerlei ongepaste activiteiten kunnen ondernemen. Eigenlijk hebben deze jongeren intensieve begeleiding of uithuisplaatsing nodig. Als dat niet gerealiseerd kan worden, moet de jeugdreclasseringswerker deze taak op zich nemen. Wie anders? Bij een caseload, die met de voorgenomen verandering van financiering eerder zal toenemen dan afnemen, is dit erg lastig. Als je ergens veel tijd voor neemt, betekent dit dat je die tijd bij een andere cliënt vandaan moet halen.
Ik vraag de minister bij dezen, de ratio van de bezuinigingen op de Jeugdreclassering nog eens toe te lichten. Wat zijn de voordelen van de nieuwe financiering? Wil hij investeren in meer mogelijkheden van begeleiding door de Jeugdreclassering, zodat die zich kan richten op intensieve begeleiding van de jongeren die delicten plegen? Hierbij zullen een verlaging van de caseload en een verhoging van de contactfrequentie moeten kunnen plaatsvinden.
Voorzitter. De staatssecretaris heeft meerdere malen uitgesproken dat zij verwachtte, dat in de Jeugdzorg nog veel winst zou zijn te halen uit doelmatigheid. Kan zij deze uitspraak onderbouwen?
De SP-fractie vraagt zich af, evenals trouwens de PvdA-fractie voor mij heeft gedaan, hoe de staatssecretaris er bij komt dat marktwerking van de grond zal komen op een terrein waar zoveel schaarste heerst aan zorgaanbieders, aan behandelplaatsen, aan deskundigheid, gewoon aan menskracht en geld, en waar zoveel problemen zijn. Wij denken – en bevinden ons daarbij in goed gezelschap, want ook de minister van Economische Zaken heeft dat onlangs gezegd – dat de regering zich moet bezinnen op marktwerking. De heer Brinkhorst heeft gezegd: Wij zijn in een herijkingsfase, jarenlang ging het om een terugtredende overheid, wat ons betreft is die tijd voorbij. Deelt de staatssecretaris, en overigens ook de minister van Justitie, de mening van de heer Brinkhorst? Wij vinden het wrang dat juist op het gebied van de Jeugdzorg de mantra van marktwerking een onderwerp is. Juist op dit terrein, in dit dossier dient de overheid haar verantwoordelijkheid te erkennen en daarnaar te handelen. De Jeugdzorg verdient dat, de werkers verdienen dat en de jeugdigen hebben er recht op.
Ik rond af. Nogmaals – ik zei het al aan het begin van mijn betoog – het gaat gelukkig goed met heel veel van onze jongeren, met onze kinderen en met onze kleinkinderen. Daarmee mogen wij onszelf complimenteren, en natuurlijk alle ouders en alle werkers in de jeugdzorg. En wij mogen ook de overheid complimenteren met de zorg die wordt geboden. Maar precies daarom zijn wij het verplicht om aan díe jongeren die het een stuk minder gaat, óók recht te doen. Met deze nieuwe Wet op de jeugdzorg geven wij de samenleving die garantie helaas zeker nog niet voldoende, terwijl dat wél had gemoeten en volgens ons ook had gekúnd. Het zou mij een lief ding waard zijn als in de loop van het debat van vandaag en morgen die garanties alsnog te voorschijn komen. Volgens mij wil een meerderheid van deze Kamer eigenlijk meer dan de regering tot nu toe heeft geboden.
Meneer de minister, mevrouw de staatssecretaris, natuurlijk heb ik begrip voor uw budgettaire problemen, maar te weinig zorg en bescherming bieden aan jonge mensen is toch ook voor u verkeerde zuinigheid? Ik ben erg benieuwd naar uw reactie morgenochtend. U mag er nog een nachtje over slapen. Slaap lekker!