www.sp.nl

Homepage SPSP.nl
SP :: Nieuws :: Actie

Wipkip zoekt scharrelruimte

Een pleidooi voor speelruimte voor kinderen

Rotterdam, mei 2000

  • Agnes Kant, Tweede-Kamerlid SP
  • Marianne Langkamp, landelijk coördinator Alles Kids
  • Ellen Verbeem, medewerker Tweede-Kamerfractie SP, pedagoog

Dit rapport is ook te bestellen via de rapporten-pagina.

Speelruimte gevraagd!

Wie kent niet het treurige beeld van een verlaten wipkip in de straat op een klein stukje onbebouwde ruimte. Waarschijnlijk met goede bedoelingen geplaatst, maar niet of nauwelijks door kinderen gebruikt. Willen kinderen van nu dan niet meer buiten spelen? Is door het enorme aanbod aan televisieprogramma’s, computerspelletjes en speelgoed buiten spelen wellicht minder in trek?

Onderzoek door KINDEREN VOORRANG! (1998) laat zien dat dit zeker niet het geval is. Maar liefst 90 procent van de ondervraagde kinderen in de leeftijdscategorie 7 tot 9 jaar laat weten buiten spelen leuk te vinden. Bij kinderen van 10 tot 11 jaar is dit 71 procent. Onderzoek in Amsterdam, Utrecht en Nijmegen (in: Schouten, 1998) geeft een vergelijkbaar beeld: de overgrote meerderheid van de kinderen speelt nog steeds even graag buiten als u dat deed. Desondanks is er een aanzienlijke groep kinderen - vooral in de steden - voor wie buiten spelen niet meer zo vanzelfsprekend is. Van der Spek en Noyon van het bureau Regioplan publiceerden in opdracht van KINDEREN VOORRANG! reeds in 1993 onderzoeksmateriaal waaruit blijkt dat eenderde van de door hun ondervraagde stadskinderen van 4 tot 12 jaar vrijwel nooit buiten speelt. Kinderen van nu hebben eenvoudigweg minder bewegingsvrijheid, omdat vrije speelruimte in Nederland niet meer vanzelfsprekend is. Het bebouwde oppervlak is de laatste 25 jaar verdubbeld, het aantal auto’s (en daarmee de verkeersonveiligheid) is schrikbarend toegenomen en het aantal vierkante meters speelruimte per kind is daarmee steeds verder afgenomen. Ben Rensen (jeugdarts bij de GG&GD in Utrecht) rekent ons al in 1998 voor: ‘In grotere steden is er voor kinderen slechts 4 vierkante meter beschikbaar om te spelen (een auto heeft ongeveer 10 vierkante meter nodig om stil te staan). Dit geeft aardig weer hoeveel bewegingsruimte onze kinderen krijgen.’ Dat deze rekensom in de loop der jaren nog ongunstiger uitpakt voor kinderen, kan eenieder zich wel voorstellen, gezien het tempo van de economische groei.

Projectontwikkelaars, stedenbouwkundigen en architecten hebben weinig oog voor speelruimte. Zij zijn ook niet opgeleid om aan kinderen te denken. De vormgeving wordt belangrijker gevonden dan de behoefte aan speelruimte. Exemplarisch is de architect van de futuristische wijk Kattenbroek in Amersfoort die de woonomgeving van zichzelf al zo spannend vond, dat speciale aandacht voor speelruimte overbodig was. Het gevolg is dat gezinnen daar wegtrekken (J/M, 1999).

Bovendien is openbare ruimte een steeds schaarser goed. In nieuwbouwgebieden moeten per hectare steeds meer woningen worden gebouwd, terwijl in de bestaande bouw alle beschikbare grond zo effectief mogelijk voor (woning)bouw geschikt wordt gemaakt. Speelruimte voor kinderen is dan de sluitpost op vrijwel elke begroting van projectontwikkelaars, stedenbouwkundigen en architecten. Kinderen zijn immers geen marktpartij waarmee rechtstreeks onderhandeld moet worden.

Naast bebouwing en autoverkeer komen in onderzoek (Van der Spek en Noyon; Schouten, 1998) nog meer factoren naar voren die de bewegingsvrijheid van kinderen beperken. Wij zullen deze kort noemen. Zo wordt hondenpoep door kinderen zelf als grote bron van ergernis genoemd. Ouders noemen ook meestal de sociale onveiligheid op straat als probleem. Verder speelt de sociaal-economische positie van ouders een rol: hoe minder welgesteld de ouders, hoe minder buitenspeelmogelijkheden in de buurt. Tot slot spelen allochtone kinderen beduidend minder buiten dan hun autochtone leeftijdgenootjes. Dit lijkt niet alleen het gevolg van een cultuurverschil, maar hangt waarschijnlijk samen met de verschillen in woonomgeving (relatief veel allochtonen wonen in relatief onaantrekkelijke wijken).

Speelruimte belangrijk!

Moeten we ons nu druk maken over het feit dat onze kinderen steeds minder bewegingsvrijheid hebben en daardoor minder zelfstandig buitenspelen?

JA, wij vinden van wel en met ons een flink aantal anderen, zoals wij nadrukkelijk hebben gemerkt tijdens gesprekken met mensen uit het veld en tijdens het literatuuronderzoek over dit onderwerp. Zo durft de eerder genoemde jeugdarts Rensen vanuit zijn jarenlange praktijkervaring de stelling aan dat ‘buiten spelen op een veilige en spannende plek voor kinderen letterlijk van levensbelang [is]’.

Het belang van buiten spelen ligt niet alleen op het niveau van het individuele kind, maar raakt een veel breder terrein. Hieronder laten wij deskundigen uit de wetenschap en de praktijk aan het woord om dit toe te lichten:

1. Effecten van buiten spelen op de ontwikkeling van kinderen

De onderzoekers De Winter en Kroneman (1998) wijzen op basis van een uitgebreide systematische literatuurstudie onder meer op de positieve effecten van spelen op de sociaal-emotionele en verstandelijke ontwikkeling. Kinderen maken vrienden als ze buiten spelen, kunnen zich buiten vrij uiten en leren veel over de manier waarop zij met andere kinderen moeten omgaan. ‘Het leren dat er regels zijn, ook in de sociale omgang, is een belangrijk aspect van spelen, maar ook het je kunnen onttrekken aan de controle van de regels uit het dagelijks leven is een belangrijk aspect van spel. De keuzevrijheid die kinderen hebben doordat ze buiten kunnen spelen, beïnvloedt de ontwikkeling van hun persoonlijkheid. De zelfwerkzaamheid van kinderen die op jonge leeftijd alleen buiten hebben kunnen spelen, is dan ook groter dan die van kinderen die dat niet konden. Door met elkaar buiten te spelen, kijken kinderen op een andere manier naar elkaar. Of iemand zich aardig gedraagt, vinden ze belangrijker dan of hij of zij wit of zwart is. Kinderen worden er in sociaal opzicht ‘gevoeliger’ van: zo blijken ze bijvoorbeeld teruggetrokken gedrag tijdens spel eerder op te merken dan hun onderwijzer.’

Ook Leenders (1998) wijst op het belang van buiten spelen voor de sociaal-emotionele ontwikkeling: ‘Het spel buiten kenmerkt zich door de hoge vrijheidsgraad die kinderen genieten. Er is niet continu een volwassene in de buurt, die de kinderen in de gaten houdt, begeleidt en helpt [...] het spel buiten doet, veel sterker dan binnen, een beroep op de eigen competentie van kinderen.’

Schouten (1998) heeft onderzoek uit Zwitserland en Scandinavië bekeken en deze onderzoeken geven een indicatie dat weinig buiten spelen motorische, creatieve en sociale achterstanden oplevert. De kans op sociaal isolement wordt indirect ook bevestigd door cijfermateriaal van Van der Spek en Noyon (1993). Daaruit blijkt dat veel van de kinderen die bijna nooit buiten spelen, ook geen vriendjes hebben of lid zijn van een clubje. Ook Broenink & Foolen (1999) stuiten in hun onderzoek op een groep jonge kinderen die bijna nooit buiten spelen.

De Winter en Kroneman (1998) benadrukken de gevolgen van buiten spelen op de gezondheid van kinderen. ‘Doordat kinderen veel bewegen tijdens het spelen, ontwikkelen ze als vanzelf hun spieren en oefenen ze hun behendigheid. Bij een vergelijking van vijfjarige kinderen die wel alleen buiten mochten spelen van hun ouders met kinderen die dat niet mochten, was te zien dat de laatsten slechter zijn in lichamelijke behendigheid, in evenwicht houden en in springen. Kinderen die veel binnenshuis verblijven, lopen meer risico op astmatische klachten, bijvoorbeeld omdat hun ouders roken. Ook komen deze kinderen minder in de zon, wat een hoger risico op een tekort aan vitamine D (nodig voor sterke botten) betekent. Juist allochtone kinderen hebben door hun donkere huidskleur veel zonlicht nodig.’

Niet alleen vanuit de wetenschap, ook vanuit de praktijk komen signalen over de gevolgen van minder buitenspelen voor kinderen. Ben Rensen herkent de hierboven genoemde effecten uit zijn dagelijkse praktijk als jeugdarts. Rensen (1998) verwoordt het zelf als volgt: ‘Het klinkt als een open deur dat kinderen spel en speelruimte nodig hebben, maar spelen wordt nog teveel gezien als ‘alleen maar spelen’. Maar als er iets belangrijk is in een kinderleven voor zijn groei en ontwikkeling, zowel geestelijk als lichamelijk, dan is dat spelen’.

2. Effecten van buiten spelen op het gezin

Veel van de hiervoor beschreven negatieve gevolgen voor kinderen hebben rechtstreeks invloed op het leven van hun ouders (Schouten, 1998). Zo treft het eerder genoemde sociaal isolement niet alleen kinderen, maar ook hun ouders. In Zürich bleken ouders in een verkeersveilige wijk veel meer contacten in de buurt te hebben en ook makkelijker een beroep te kunnen doen op burenhulp.

Verder lijkt het er volgens Schouten op dat niet of nauwelijks kunnen buiten spelen een grote druk legt op het gezinsleven binnenshuis. ‘Ouders en kinderen zitten noodgedwongen op elkaars lip en kunnen elkaar niet ontlopen. Aangezien niet buiten kunnen spelen vaak samengaat met andere beperkingen (oudere buurt, oude, kleine bovenwoningen, weinig florissante sociaal-economische situatie, sociaal isolement) kan dat alles bij elkaar tot fikse spanningen leiden.’ Ook Rensen (1998) noemt de spanningen binnen het gezin als een effect van minder buitenspelen. ‘Kindermishandeling [...] kan vaak al verminderen en stoppen als kinderen veilig buiten kunnen spelen. Een overbelaste moeder, in een te klein huis met hyperactieve kinderen, zal minder belast worden als kinderen buiten zijn. Bovendien kunnen verwaarloosde kinderen door gebrek aan aandacht en spel, buiten in contact komen met andere kinderen, extra aandacht krijgen, en eerder gesignaleerd worden. Isolement, het sleutelwoord bij kindermishandeling, kan spelenderwijs [...] worden verminderd door contacten in de buurt, of in de speeltuin.’

3. Effecten van buiten spelen op de leefbaarheid in de buurt

Volgens De Winter en Kroneman (1998) zijn er veel aanwijzingen dat het buiten spelen van kinderen de leefbaarheid van de buurt zeer ten goede komt. Doordat kinderen snel contacten leggen, bouwen ze hun eigen netwerk op in de buurt. Daarbij betrekken ze als vanzelfsprekend ook hun ouders. Ouders van kinderen die regelmatig alleen buiten spelen, kennen hun buurtgenoten dan ook beter en organiseren vaker een feest of uitstapje met andere buurtgenoten. Verder heeft buiten spelen volgens deze onderzoekers een positieve invloed op het voorkomen van vandalisme en kleine criminaliteit. ‘Kinderen in een omgeving met voldoende gelegenheid tot spelen zijn minder agressief dan in een omgeving met weinig gelegenheid tot spelen. Als jongeren een eigen plek hebben, hoeven ze niet uit te wijken naar plaatsen die niet bedoeld zijn om te voetballen of rond te hangen. De buurt heeft dan ook minder overlast.’

Schouten (1998) komt op basis van haar onderzoek tot dezelfde conclusie en verwoordt dit kernachtig als volgt: ‘Een buurt met weinig groen en buitenspeelmogelijkheden:

  • is onaantrekkelijk als vestigingsplaats voor mensen die iets te kiezen hebben,
  • heeft (dus) een groot verloop,
  • heeft meer te lijden van kinderen die zich vervelen,
  • wordt (daardoor) vanzelf een probleemwijk,
  • hetgeen de gemeente handenvol geld kost en een slechte naam bezorgt’

4. Effecten van buitenspelen in geld uitgedrukt

Na lezing van het bovenstaande mag het duidelijk zijn dat de mogelijkheid om vrij buiten te spelen essentieel is voor kinderen zelf, hun ouders en hun directe woonomgeving. Maar zijn er op macro-economisch niveau baten te verwachten, met andere woorden: wat is de economische waarde van buiten spelen? In het licht van de eerder genoemde effecten valt te verwachten dat meer buiten spelen in de toekomst leidt tot lagere gezondheidskosten. Wij zijn het met jeugdarts Rensen (1998) eens dat niet of weinig buiten spelen, los van de belangrijke nadelige gevolgen voor de ontwikkeling van het kind en voor de maatschappij, ook kan leiden tot kostenposten zoals meer medicijnen, meer sociale vaardigheidstrainingen bij de RIAGG, meer senso-motore oefentherapie, meer diëtisten voor te dikke kinderen, meer Boddaertcentra voor naschoolse opvang, meer creatieve therapeuten, meer uithuisplaatsingen na mishandelingen. Dat meer speelruimte op de lange termijn leidt tot een besparing van geld aan zorg lijkt evident. Daar komt ook nog eens de kostenbesparing bovenop die een vermindering van vandalisme zou kunnen opleveren.

Ook de NUSO, landelijke organisatie voor speeltuinwerk en recreatie en het Nationaal Jeugd Fonds Jantje Beton wijzen in 1999 op de economische waarde van goede speelruimte.

Speelruimte geregeld?!

Kinderen hebben buiten spelen niet alleen nodig, ze hebben er ook recht op. In artikel 31 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind staat kort gezegd dat ieder kind het recht heeft om te spelen. Tijdens de 39e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is een resolutie aangenomen waarin bij regeringen wordt aangedrongen álles in het werk te stellen om de resultaten van het Internationaal Jaar van het Kind (1979) te consolideren en verder uit te bouwen teneinde het welzijn van de kinderen blijvend te verbeteren. Daarbij worden de volgende aanbevelingen gedaan:

  1. Een ‘Speelruimtewet’ moet zo gauw mogelijk worden ingevoerd
  2. In het verkeer moet veel meer rekening worden gehouden met kinderen; veilige wegen naar school, goede oversteekmogelijkheden, speelruimte en woonerven.
    Het VN-Verdrag van de Rechten van het Kind is overigens in 1994 in de Tweede Kamer geratificeerd. Desondanks is in Nederland nooit een Speelruimtewet van de grond gekomen. Weliswaar is in de jaren tachtig een poging gedaan, maar uiteindelijk is er geen wetgeving van de grond gekomen. In plaats daarvan werd in 1986 het Speelruimteplan gepubliceerd: een handreiking aan gemeenten voor de ontwikkeling van een speelruimtebeleid. Voor gemeenten betekent dit dat zij hun eigen normen moeten stellen voor speelruimte; vanuit de centrale overheid is niets geregeld. In Nederland hebben we nu dus de absurde situatie dat wettelijk is geregeld hoeveel parkeerplaats er per woning moet zijn, maar niet hoeveel speelruimte er voor kinderen gereserveerd moet zijn. Als gemeenten niet of onvoldoende zorgen voor speelruimte, is daar niets tegen te doen. Ook in het regeerakkoord van Paars II is met geen woord over speelruimte gerept. Hoog tijd om actie te ondernemen.

Speelruimte moet!

Blijkbaar is voldoende speelruimte voor kinderen niet vanzelfsprekend. De belangen van kinderen verliezen het nog te vaak van andere belangen. Nog te vaak verliezen ze het van een parkeerplaats, een winkelcentrum of woningbouw. Daarom is het de hoogste tijd om de ruimte voor kinderen op te gaan eisen.

Om voldoende goede speelruimte voor kinderen te garanderen doen wij daarom de volgende aanbevelingen:

  1. Een Speelruimtewet
    De aanbeveling van de VN-resolutie uit 1979 moet alsnog worden opgevolgd.
    Er moeten duidelijke wettelijke normen komen voor speelruimte die een minimumkwaliteit garanderen wat betreft bijvoorbeeld de grootte en de bereikbaarheid. Normen voor een minimaal aantal vierkante meters per aantal woningen of inwoners. Normen voor de maximale afstand van woningen naar speelruimte voor verschillende doelgroepen - vanzelfsprekend zonder veel wegen over te moeten steken. Daarnaast mogen ook zeker niet de voorzieningen voor kinderen worden vergeten die niet aan een specifieke wijk zijn gebonden, zoals speeltuinen en kinderboerderijen. Hiervoor zou een minimumaantal per gemeente moeten gelden; uiteraard gekoppeld aan een toereikend budget om deze voorzieningen draaiende te houden. Maar met wettelijke minimumnormen zijn we er nog niet: voor kwalitatief goede speelruimte moet we verder kijken dan alleen naar kwantiteit.
  2. Speelruimtebeleid in elke gemeente
    Momenteel is elke gemeente vrij in het al dan niet voeren van een speelruimtebeleid, terwijl elke gemeente dit zou moeten doen. En dan gaat het niet alleen om het op papier zetten van geplande speeltuintjes, maar om een doordacht plan. Vaak valt speelruimte bij gemeenten onder ‘ruimtelijke ordening’ of ‘de groenvoorziening’, terwijl het veel meer bekeken zou moeten worden vanuit de welzijnskant en onderdeel zou moeten zijn van het lokale Jeugdbeleid.
    Zodra er een Speelruimtewet is, moeten gemeenten in hun speelruimtebeleid aangeven hoe zij hieraan voldoen.
  3. Een Speelruimtefonds
    Om gemeenten te stimuleren voor meer speelruimte te zorgen moet er een Speelruimtefonds komen. Gemeenten die goede plannen voor een speelruimtebeleid maken, kunnen bij de overheid een beroep doen op dat fonds als ze aan bepaalde eisen voldoen (vergelijkbaar met het Sportstimuleringsfonds).
    Omdat het in oude wijken moeilijker is om ruimte te reserveren voor speelruimte, kunnen gemeenten bij herinrichting en/of renovatie van wijken subsidie krijgen als zij extra speelruimte reserveren voor kinderen.
  4. Kinderen en de buurt betrekken bij speelruimte
    Veel te vaak wordt vanuit het gemeentehuis beslist waar en welke speeltoestellen of inrichting van speelruimte er moet komen. Kinderen hebben hier zelf geen stem in. Dit is heel vreemd en moet veranderen.
    De buurt moet medezeggenschap en verantwoordelijkheid krijgen over de speelruimte.
  5. Pedagogen betrekken bij ontwikkeling wijken en speelruimte
    Gemeentebestuurders, projectontwikkelaars en architecten hebben weinig oog voor speelruimte. Zij zijn ook niet opgeleid om rekening te houden met kinderen. De vormgeving (architect), de grondopbrengst (gemeentebestuur), de wensen van huizenkopers en een zo groot mogelijke opbrengst van de huizen op de beschikbare grond (projectontwikkelaars) zijn hun prioriteiten. Daarom moeten bouwplannen en renovatieplannen van gemeenten getoetst worden door pedagogen en andere deskundigen op het terrein van jeugdbeleid, die wel verstand hebben van de behoefte van kinderen.
    Dit geldt ook voor het speelruimtebeleid van een gemeente. Veiligheid, locatie en vooral ook de invulling van de speelruimte moeten worden beoordeeld op hun geschiktheid voor kinderen. Te vaak wordt gedacht dat een veldje met wat wipkippen en speeltoestellen een goede invulling is, terwijl andere invullingen de creativiteit en fantasie van kinderen mogelijk meer stimuleren.


Geraadpleegde literatuur

  • Backx, F.J.G. (1998), Buiten spelen en niet buitenspel!, Symposium NVSF, Eefde.
  • Broenink, N. & Foolen, J. (1999), Op de achterbank of op de speelplaats, Een verkenning van het (on)georganiseerd spel buitenshuis van kinderen van 6 tot 12 jaar, Verwey-Jonker Instituut, Utrecht.
  • Keesom, J. (2000). Speelruimte staat nog in de kinderschoenen, Handreiking aan gemeenten van speeltuinwerkers en Jantje Beton, VNG-magazine, maart 2000.
  • Leenders, Y. (1998). Waarom aandacht voor buitenspel...?, NVSF symposium, Eefde.
  • Minjon, M. (1999). Gezocht: speelruimte zonder flauwekul. In: J/M, mei 1999.
  • Minjon, M. (1999). Tijd voor een goede wet. In: J/M, mei 1999.
  • NUSO/Jantje Beton (1999). Handboek Speelruimtebeleid, 24 stappen op weg naar kwaliteit in speelruimtebeleid, Amsterdam.
  • Rensen, B. (1998). De (economische) meerwaarde van spelen, Een sociaal-medische beschouwing over de effecten van spelen. Symposium NVSF, Eefde
  • Schouten, M. (1998). Op zoek naar beweging 2, Een overzicht van onderzoek en beleid op het raakvlak van veiligheid, openbare ruimte, gezondheid en de bewegingsvrijheid van kinderen. Stichting KINDEREN VOORRANG!, Amsterdam.
  • Schouten, M. (1998). Buiten spelen anno 1998: spartelen in de marge, Kinderen en ouders aan het woord over de veiligheid en bespeelbaarheid van de openbare ruimte. Stichting KINDEREN VOORRANG!, Amsterdam
  • Spek, M. van der en Noyon, R. (1993). Uitgeknikkerd, opgehoepeld, Een onderzoek naar de bewegingsvrijheid van kinderen op straat. Stichting KINDEREN VOORRANG!/Regioplan, Amsterdam.
  • Verwer, D. (1986). Het speelruimteplan, Instrument voor gemeentelijk beleid, Een handreiking aan bewoners en gemeenten, Stichting Ruimte in opdracht van het Ministerie van W.V.C.
  • Winter, M. de & Kroneman, M. (1998). Het effect van buitenspelen, Wetenschappers onderzoeken economische waarde. NUSO, Amsterdam.
  • Winter, M. de (2000). Beter Maatschappelijk opvoeden, Hoofdlijnen van een eigentijdse participatie-pedagogiek, Van Gorcum, Assen.

Geraadpleegde websites

Delen via sociale media Informatie over delen en sociale media
Studio SP
top