De SP tegen Europa en de globalisering? Welnee. Waar de SP zich tegen keert is een ondemocratisch Europa en het neoliberale marktdenken, betoogt Jan Marijnissen.
De verwijten klinken als krassen op een plaat: de SP is conservatief en „vlucht in de schijnoplossing van een socialistische Waterlinie tegen de oprukkende globalisering”. En omdat de PvdA „moet gaan voor de aanval en niet de terugtrekkende verdediging […] is samenwerking met de SP nu onmogelijk”, aldus PvdA-staatssecretaris Frans Timmermans (Europese Zaken) in Opinie & Debat van 31 mei.
Niemand, ook de SP niet, zal nog ontkennen dat de globalisering mensen bij elkaar brengt. De onderlinge afhankelijkheid en lotsverbondenheid nemen toe. Indachtig het gezegde ‘onbekend maakt onbemind’, draagt de globalisering bij tot meer onderling begrip. En dat begrip draagt weer bij aan een verkleining van de kansen op (gewapende) conflicten.
De betere contacten en verstandhouding hebben in velerlei opzicht wederzijds voordeel gebracht. En dat voordeel is de motor van het proces van verdere integratie. Dat proces wordt constant een fors handje geholpen door – ik beperk me tot Europa – de ‘eurofielen’: mensen die vinden dat de totstandkoming van een Verenigde Staten van Europa niet snel genoeg kan gaan. Hun vergezicht is een Europese federatie, met veel meer bevoegdheden voor het centrale gezag dan nu. En die bevoegdheden worden dan natuurlijk ontnomen aan de nationale regeringen en parlementen. En hier stuitten we op een wezenlijk probleem, dat alleen door de tijd kan worden opgelost.
De uitslag van het referendum over het Europees grondwettelijk verdrag in 2005 heeft laten zien dat er een grote kloof gaapt tussen de meerderheid van de bevolking en de partijen van VVD tot en met PvdA en GroenLinks als het om de toekomst van Europa gaat. Die partijen begrepen niet dat het volk niet begreep wat zij wél (dachten) te begrijpen. Het fundamentele verschil van inzicht draait om de vraag wat wordt verstaan onder democratie. Concreet ingevuld veronderstelt democratie een bepaalde geografische begrenzing in combinatie met een objectieve en subjectief beleefde onderlinge lotsverbondenheid bij de burgers. Die lotsverbondenheid is door de eeuwen heen gegroeid. Op nationaal niveau hebben we de democratische instituties bevochten, net als de burgerrechten en de sociale zekerheid; hebben we een stelsel van goed onderwijs en zorg tot stand gebracht; en is er een rechtssysteem ontstaan. Die verworvenheden bepalen onze gehechtheid, onze identiteit.
Daarentegen is Europa noch objectief noch subjectief ons ‘thuis’. De Europese Unie heeft geen verleden, heeft geen identiteit en is voor de meeste burgers ver weg. De omvang en de afstand tot de Europese Unie maakt dat haar democratie noodzakelijkerwijs een gemankeerde is. En democratie zonder transparantie is een farce. Dat gebrek aan transparantie maakt mensen wantrouwig. Sommigen vinden dat onterecht, maar het is wél een feit waar een democraat rekening mee moet houden. De afstand tot de Europese Unie hef je niet op door mensen te dwingen. De federalisten of ‘eurofielen’ daarentegen achten de natiestaat overleefd en dus ouderwets. Zij halen hun neus op voor het belang van een ‘thuis’, ze vinden dat bekrompen en burgerlijk. Mensen ervan overtuigen dat verdere Europese integratie van belang is kan wel degelijk, mits aan drie voorwaarden wordt voldaan:
Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad, 9 juni 2008