
We leven langer én we leven langer gezond. De afgelopen eeuw is ons in land de levensverwachting gestegen van 51 jaar (mannen) en 53 jaar (vrouwen) naar respectievelijk 76 en 81 jaar. Dat heeft alles te maken met onze gestegen welvaart, verbeterde leefomstandigheden en hygiëne en met de spectaculaire ontwikkelingen in de gezondheidszorg. Nederland staat echter niet meer bij de eerste 10 landen op de wereldranglijst van goede gezondheidszorg van de Wereldgezondheidsorganisatie. Dat is reden tot zorg. Net als de vaststelling dat de sociaal-economische startpositie bij gezondheidsverschillen nog steeds de doorslag geeft. Volksgezondheid is ook een kwestie van verdelen. Veel burgers vrezen in de toekomst meer ongelijkheid in de toegang tot de gezondheidszorg. De invoering van meer marktwerking in de zorg en van inkomensonafhankelijke premies was een beleid dat de meeste mensen niet wilden. Als over deze nieuwe wetgeving een referendum zou zijn gehouden, zou een overgrote meerderheid van de mensen ‘nee’ hebben gezegd. Ook hier zien we een groot verschil tussen wat de mensen willen en wat de politiek doet. Een volgend kabinet dient de bakens te verzetten en georganiseerde solidariteit weer tot uitgangspunt te maken van ons zorgstelsel.
Mensen hebben een eigen verantwoordelijkheid voor hun gezondheid. Dat is echter geen reden om onze gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de zorg te laten varen. Toch gebeurt dit wél. Het nominale, niet inkomensafhankelijke deel van de ziektekostenpremies kent geen inkomenssolidariteit meer. Pakketverkleining, meer en hogere eigen bijdragen en de no-claimregeling, waarbij ziek betaalt voor gezond, betekenen vooral voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen een ernstige lastenverzwaring. De invoering van het nieuwe zorgstelsel kent wel een acceptatieplicht, maar niet voor de aanvullende verzekering; vanaf 2007 mogen zorgverzekeraars mensen weigeren voor een aanvullende verzekering. Vooral de financieel zwakkeren kunnen verstoken blijven van fysiotherapie, tandzorg of bepaalde geneesmiddelen. Hoge eigen bijdragen leiden ertoe dat mensen moeten afzien van bijvoorbeeld thuiszorg.
Het fenomeen ‘voorkruipzorg’ steekt opnieuw de kop op, doordat zorgverzekeraars voor hun patiënten, en werkgevers voor hun werknemers voorrang bedingen, bijvoorbeeld in een ziekenhuis. Zo groeit de tweedeling in de gezondheidszorg. En dat terwijl mensen met weinig geld nu al gemiddeld 3,5 jaar eerder sterven en 12 jaar minder lang in gezondheid leven. De meeste mensen in ons land willen een zorgstelsel dat is gebaseerd op solidariteit. Wie gezond is, wil dat graag blijven. En wie ziek is, wil kunnen rekenen op de zorg van anderen. Uitgangspunt van beleid van het komende kabinet moet daarom zijn dat iedereen die dat nodig heeft in gelijke mate toegang heeft tot kwalitatief goede zorg. De beschikbare middelen moeten doelmatig worden ingezet, met afdoende controle, maar zonder onnodige bureaucratie.
De toegenomen marktwerking leidt tot verkeerde prikkels in de zorg, meer gericht op prijs dan op kwaliteit. Meer marktwerking leidt ook tot meer concurrentie tussen instellingen, in plaats van samenwerking. Dit werkt de versnippering van de zorg in de hand en maakt een optimaal gebruik van de kennis en middelen moeilijker. Meer marktwerking maakt de zorg duurder en leidt tot meer bureaucratie, bijvoorbeeld door hogere managementsalarissen en meer overhead. De markt organiseert ook geen solidariteit in de zorg. Als we meer marktwerking organiseren in de zorg, geven we ook meer ruimte aan lucratieve zorg, waar snel aan te verdienen valt en die gericht is op ‘klanten’ die veel kunnen betalen. De markt waakt er niet voor dat ook zorg wordt geleverd die minder rendabel is. Het risico bestaat dat wie niet kan bijbetalen, langer moet wachten, kwalitatief minder zorg krijgt, of minder keuzevrijheid heeft. Bovendien bestaat het gevaar van risicoselectie door zorgverzekeraars; op mensen die veel zorg nodig hebben, zoals ouderen en gehandicapten, valt immers weinig te verdienen.
Zorg is mensenwerk. Een tekort aan menskracht en een te hoge werkdruk kunnen leiden tot slechte of tekortschietende zorg. In verpleeghuizen, maar ook in psychiatrische instellingen en in de jeugdzorg, komen we tijd en handen tekort. Tegelijk is de bureaucratie in de zorginstellingen enorm toegenomen. De tijd die moet worden besteed aan papieren rompslomp gaat ten koste van de tijd voor zorg. Dat leidt tot veel frustratie bij werkers. De controlegekte in de zorg is een vorm van georganiseerd wantrouwen en leidt tot demotivatie. Dit wordt nog versterkt door een gebrek aan waardering voor het werk van de mensen op de werkvloer. Terugkeer naar de menselijke maat in zorginstellingen is een uitgangspunt dat in de komende kabinetsperiode voorrang moet krijgen.
Zorg moet zo dicht mogelijk bij de patiënten worden verleend. Door het verdwijnen van kleine ziekenhuizen en de afhankelijkheid van huisartsenposten zijn zorgvoorzieningen voor veel mensen moeilijker bereikbaar geworden. De ontwikkeling van eerstelijnsgezondheidscentra moet worden gestimuleerd en in de eerstelijnszorg in wijken en buurten dient meer te worden geïnvesteerd. Te grootschalige huisartsenposten moeten worden afgebouwd en de bouw van poliklinieken in wijken en buurten bevorderd. In de jeugdzorg bemoeien te veel instanties zich vanaf een te grote afstand met hetzelfde gezin en hetzelfde kind. In plaats daarvan zouden in wijken en buurten laagdrempelige kindercentra moeten komen, die kinderen en ouders ondersteunen, hulp en zorg bieden en waar nodig doorverwijzen.
Veel mensen maken zich zorgen over hoe ze hun oude dag zullen slijten. Juist in deze fase van het leven zijn we aangewezen op de liefdevolle zorg van onze kinderen en onze omgeving. We moeten ook dan kunnen rekenen op optimale zorg. De meeste verpleeghuizen zijn niet in staat om de zorg te leveren die we graag willen. De huidige verpleeghuizen en verzorgingshuizen zouden moeten worden vervangen door kleinschalige en intieme huizen, waar ouderen voldoende ondersteuning krijgen en ook elkaar kunnen helpen. Ouderen moeten het recht hebben op zelfstandige woonruimte en privacy, met op hen afgestemde zorg en voorzieningen in elke wijk.
Nu bepalen zorgverzekeraars steeds vaker hoeveel zorg welke patiënt krijgt. De zeggenschap over de directe zorgverlening moet veel meer bij de arts en de patiënt komen te liggen. De overheid behoort verantwoordelijk te zijn voor de toegang en de kwaliteit van de zorginfrastructuur. Binnen de door de overheid gestelde kaders moeten zorginstellingen een grote mate van vrijheid krijgen, mits de kwaliteit en toegankelijkheid van de geleverde zorg worden gewaarborgd. De verantwoordelijkheid bínnen zorginstellingen moet zo veel mogelijk worden gedelegeerd naar de werkvloer. Dit zal leiden tot minder bureaucratie en kan het werk in de zorg aantrekkelijker maken. Op deze manier kan bovendien een begin worden gemaakt met het herstel van de beroepseer van mensen die in de zorg werken.
Meer autonomie voor zorginstellingen hoort gepaard te gaan met een strengere aanpak van misstanden. Door een te groot aantal managers is het bestuur in de zorg duurder, meer bureaucratisch en minder slagvaardig geworden. Binnen de instellingen moet kritisch worden gekeken naar de hoeveelheid managers ten opzichte van het aantal handen aan het bed. Veel bestaande bureaucratie kan worden bestreden door gerichter toe te zien op kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid. Een zorgbrigade, waarin de Inspectie voor de Volksgezondheid wordt opgenomen, zou die functie kunnen krijgen, waarbij het zaak is dat deze snelle interventiebrigade ook regionaal aanwezig is. Op deze manier kunnen zorgverleners en bestuurders eenvoudiger worden gecontroleerd en innovatie en informatie-uitwisseling worden bevorderd. Als instellingen niet doelmatig werken moet er worden opgetreden, zo nodig door bestuurders te ontslaan. De brigade dient tevens een belangrijke informatie-, steun- en ombudsfunctie te krijgen voor patiënten.
Meer gebruik zou moeten worden gemaakt van de ervaringen, opvattingen en suggesties van patiënten, cliënten en hun familieleden en verzorgers. Hun inzichten kunnen een nuttige aanvulling zijn op de kennis en kunde van professionals. De positie van de patiënten kan verder worden versterkt door verbetering van de financiële positie van de patiëntenverenigingen en door invoering van een nieuwe Zorggebruikerswet, waarin de rechten van patiënten worden vastgelegd.
De zorg moet worden bevrijd van de bureaucratie. Financiering dient plaats te vinden op basis van een reële inschatting van de zorgbehoefte, op hoofdlijnen en gebaseerd op een aantal basale parameters per sector. We moeten stoppen met patiënten door een mallemolen van indicaties te sturen en artsen achteraf over elke patiënt, elke handeling, elke minuut soms, verantwoording te vragen. Het nieuwe stelsel van diagnosebehandelcombinaties (DBC’s), met ontelbare zorgproducten en rekeningen, moet worden vervangen. Huisartsen en specialisten kunnen beter betaald worden per patiënt, in plaats van per verrichting of ‘productie’. Het financieringssysteem dient te waarborgen dat een voor iedereen toereikend en doelmatig zorgaanbod mogelijk is, zonder wachtlijsten.
De farmaceutische industrie levert een belangrijke bijdrage aan de volksgezondheid, maar is in de eerste plaats gericht op het maken van winsten. Daarom geven bedrijven te vaak voorrang aan de ontwikkeling van commercieel interessante, maar weinig innovatieve geneesmiddelen. Geneesmiddelen voor zeldzame ziekten in het Westen en ziekten die op grote schaal voorkomen in ontwikkelingslanden, worden daarom te weinig ontwikkeld. Ook het medisch-wetenschappelijk onderzoek wordt veelal betaald door de farmaceutische industrie en is te weinig onafhankelijk. De overheid heeft een verantwoordelijkheid voor een objectieve beoordeling van geneesmiddelen en voldoende maatschappelijk relevant medisch onderzoek. Een onafhankelijk fonds voor medisch-wetenschappelijk en geneesmiddelenonderzoek kan daaraan bijdragen.
In de komende kabinetsperiode mogen zorginstellingen niet met winstoogmerk gaan werken. Niet marktwerking, winststreven en onderlinge concurrentie moeten uitgangspunt zijn in de gezondheidszorg, maar samenwerking, kwaliteitsborging en goed toezicht. Daarbij blijft voorkomen beter dan genezen. Veel meer zou moeten worden geïnvesteerd in preventie. Sociaal-economische gezondheidsverschillen moeten niet worden geaccepteerd als voldongen feiten, maar zouden aanleiding moeten zijn om voortdurend actie te ondernemen. Bij investeringen in de zorg kan de grootste winst worden behaald bij mensen die nu een gezondheidsachterstand hebben.
[ Introductie | Betere democratie | Beter Delen | Beter zorgen | Betere veiligheid | Beter leren | Beter wonen | Beter groen | Betere cultuur | Beter samenleven | Beter integreren | Beter samenwerken | Beter investeren ]
Ontvang de nieuwsbrief van Emile Roemer en belangrijk nieuws van de SP: meld je aan.
Teken ook het manifest
‘1 voor allen’