
Een goede en betaalbare woning, waarin je zo lang mogelijk zelfstandig kunt blijven wonen. Met goede voorzieningen en in een veilige en schone buurt. Dat zijn de belangrijkste wensen die wij hebben op woongebied. Die wensen sluiten voor veel mensen echter steeds minder aan op de werkelijkheid. Nederland is een klein land, met 16 miljoen mensen en bijna 7 miljoen huishoudens. De ruimte die we hebben is schaars en we zullen die zuinig en eerlijk moeten verdelen. Het beleid van de afgelopen regeringen heeft een doordachte invulling van de schaarse ruimte alleen maar moeilijker gemaakt. Het landschap verrommelt en het vervoer loopt vast. Huizen zijn voor veel mensen onbetaalbaar geworden, vooral voor jongeren en mensen met een lager inkomen, terwijl mensen met veel geld volop steun krijgen. De bereikbaarheid is verslechterd doordat auto’s stilstaan, treinen te laat komen en buslijnen verdwijnen. Een volgende regering dient de koers drastisch bij te stellen, willen we iedereen fatsoenlijk onderdak blijven bieden en op tijd thuis laten komen.
Begin jaren negentig besloot de rijksoverheid haar bemoeienis met de volkshuisvesting op een laag pitje te zetten. De subsidies aan de woningcorporaties werden stopgezet, die moesten voortaan op eigen benen staan en zich gaan gedragen als ‘huisvestingsondernemers’. De nieuwbouw werd vooral een zaak van de ‘markt’, waardoor vooral duurdere koopwoningen voor doorstromers werden gebouwd. De verwachting dat de achtergelaten woningen beschikbaar zouden komen voor jongeren en huurders met een lager inkomen bleek onjuist. Veel starters op de woningmarkt kunnen geen huurwoning krijgen en hebben onvoldoende geld om een woning te kopen. Tijdens de kabinetten-Balkenende werden minder huizen gebouwd en meer woningen gesloopt dan in enig andere naoorlogse regeerperiode. De verzelfstandigde woningcorporaties bouwden te weinig, sloopten te veel en gaven steeds méér geld uit aan interne bureaucratie, onderlinge fusies en salarissen voor topfunctionarissen. Projectontwikkelaars kregen een steeds belangrijker plek in de bouwwereld, wat geleid heeft tot grondspeculatie op grote schaal en tot een krappe woningmarkt voor mensen met een bescheiden inkomen.
Het komende kabinet moet zich weer veel meer gaan bezighouden met volkshuisvesting. Een kwalitatief goede huur- of koopwoning hoort voortaan voor iedereen bereikbaar te zijn. Daarbij moeten we niet de bezitter, maar de gebruiker centraal stellen. De woonbehoefte en niet de dikte van de portemonnee moet het criterium zijn. Woningcorporaties moeten hun maatschappelijke taak weer oppikken. In de komende kabinetsperiode moet de nieuwbouw van betaalbare woningen worden vergroot, met gebruikmaking van de omvangrijke reserves van de corporaties. Grondspeculatie moet worden tegengegaan. Ook zou er een verbod moeten komen op langdurige leegstand.
Door het aanscherpen van de Onteigeningswet en de Wet voorkeursrecht gemeenten moet het voor gemeenten eenvoudiger en goedkoper worden om bouwgrond voor sociale woningbouw te verwerven. Op deze manier wordt grondspeculanten en projectontwikkelaars de wind uit de zeilen genomen, kunnen meer woningen worden gebouwd en worden de prijzen van starterswoningen in de hand gehouden. Starters en mensen met een laag inkomen moeten woningen worden aangeboden tegen een lagere koopprijs dan de marktwaarde. Op het moment dat zij deze woning weer verlaten moet deze worden terugverkocht aan de oorspronkelijke aanbieder, waarbij de waardestijging van de woning wordt gedeeld, zodat de aanbieder de woning opnieuw goedkoop kan verkopen.
Een volgend kabinet zal de huurtoeslag moeten veiligstellen en de toeslagregels moeten verruimen, om een evenwichtiger spreiding van bevolkingsgroepen in wijken en buurten te bevorderen en de kans op een fatsoenlijke woning voor mensen met de laagste inkomens te vergroten. De hypotheekrenteaftrek dient een betrouwbare regeling te zijn voor huiseigenaren. In de komende kabinetsperiode moet de aftrek zowel worden gegarandeerd, als gemaximeerd, tot 350.000 euro hypotheekschuld, met een maximale belastingaftrek van 42 procent. Op deze manier kan worden bereikt dat alle huiseigenaren zeker zijn van hun hypotheekrenteaftrek én dat op termijn het onevenredig grote voordeel voor mensen met de allerhoogste inkomens wordt beperkt.
Gaat het de wijken en buurten goed, dan gaat het meestal ook de bewoners goed. Hoe sterker de sociale banden in een wijk, hoe meer aandacht bewoners doorgaans hebben voor hun omgeving. Investeren in leefbare wijken en buurten is erg lonend. Het laten verloederen van wijken heeft desastreuze gevolgen. In de komende kabinetsperiode moet meer worden geïnvesteerd in de verbetering van wijken en buurten, door onderhoud en verbetering van woningen, maar ook van de publieke ruimte. Bovendien moet meer worden geïnvesteerd in diensten op wijkniveau. Nu dreigen uit veel wijken en dorpen belangrijke vormen van dienstverlening te verdwijnen. Dit moet worden voorkomen, bijvoorbeeld door afspraken te maken met instellingen voor gezondheidszorg en jeugd- en ouderenzorg. Evenals met winkelketens en grote dienstverleners, zoals banken en postkantoren.
Dak- en thuislozen moeten onderdak krijgen. Gemeenten krijgen daartoe een zorgplicht. Zij zijn verantwoordelijk voor een sluitend vangnet van opvangvoorzieningen, sociale pensions en andere opvangmogelijkheden. Ook dienen zij te zorgen voor 24-uurscrisisopvang en voor begeleide woonplekken en werkprojecten, met als doel een volwaardige terugkeer in de samenleving. Per stad of regio moeten daklozenteams worden ingezet om actief daklozen op straat en in de opvang te benaderen en hulp aan te bieden. Meer moet worden gedaan om te voorkomen dat mensen op straat terechtkomen. Ontslag uit psychiatrische en justitiële inrichtingen zonder programma voor opvang en begeleiding of zonder begeleide woonplek is niet aanvaardbaar. Dat geldt ook voor huisuitzettingen zonder uitzicht op ander onderdak.
We leven in een dichtbevolkt land en moeten daarom verstandig omgaan met de ruimte. Wonen en werken zijn nu te veel gescheiden. Minstens de helft van de werknemers in de vier grootstedelijke gebieden werkt buiten de eigen stad. Zowel de omvang van het pendelverkeer als de afgelegde kilometers blijven groeien. Het woon-werkverkeer zorgt elke dag voor veel files. In de jaren zestig reden er nog 600 duizend auto’s op onze wegen, nu zijn dat er 7 miljoen. Dat is gemiddeld 1 auto per huishouden. Maar de verdeling is erg ongelijk: een kwart van de bevolking heeft géén auto, een vijfde heeft 2 auto’s en twee procent van de mensen zelfs 3 auto’s of meer. Het beleid moet erop gericht zijn om wonen en werken dichter bij elkaar te brengen. Het vervoer moet efficiënt, kwalitatief goed en betaalbaar zijn en het milieu zoveel mogelijk ontzien.
Het openbaar vervoer had kunnen zorgen voor ontlasting van het autoverkeer, als tijdig was geïnvesteerd. Het openbaar vervoer is door achtereenvolgende kabinetten echter stiefmoederlijk behandeld. Het geld dat beschikbaar was verdween voor een groot deel in megalomane projecten als de Betuwelijn en de hogesnelheidslijn. Door de politiek van de terugtredende overheid verdween de samenhang tussen bouwen en vervoer, waardoor nieuwe wijken en buurten vaak verstoken bleven van goed openbaar vervoer.
De Nederlandse Spoorwegen hebben de afgelopen jaren veel gesaneerd, met het oog op de verzelfstandiging en de voorgenomen beursgang. Een slechte dienstregeling, tekort aan materieel, achterstallig onderhoud en slechte communicatie maakten het reizen met de trein steeds minder aantrekkelijk. Het stads- en streekvervoer werd voor een belangrijk deel aanbesteed en kwam op eigen benen te staan. Dit leidde veelal tot het saneren van buslijnen, waardoor vooral het platteland slechter bereikbaar werd. De overheid is begonnen aan een inhaalslag om de achterstanden in de infrastructuur aan te pakken, maar het openbaar vervoer krijgt nog steeds niet de prioriteit die het verdient. Alleen waar openbaar vervoer rendabel is, wordt het nog gestimuleerd. In andere gevallen wordt het vervangen door gebrekkige vormen van ‘collectief vraagafhankelijk vervoer’, zoals belbussen.
Weinig aandacht is er in de politiek voor de luchtvervuiling als gevolg van de toename van het autoverkeer. Hetzelfde geldt voor het milieubelastende vliegverkeer. Er is nog steeds geen brandstofheffing op kerosine. Ruim baan wordt gegeven aan Schiphol, waarvoor de milieuregels voortdurend worden bijgesteld. Nu al is de Nederlandse luchtvaart verantwoordelijk voor 10 procent van de klimaatemissies in ons land en bij ongewijzigd beleid zal dit cijfer de komende vijftien jaar verdubbelen.
In België is wél veel geïnvesteerd in het openbaar vervoer, wat heeft geleid tot verbetering van en meer waardering voor het openbaar vervoer. Ook bij ons moet de komende jaren meer worden geïnvesteerd, zodat het openbaar vervoer aantrekkelijk wordt voor een breder publiek. Alleen op deze manier kunnen de wegen worden ontlast en kan het milieu worden ontzien. Liberalisering van de taximarkt en privatisering van bijvoorbeeld Schiphol en Connexxion moeten niet worden doorgezet of worden teruggedraaid. ProRail en de NS moeten weer worden bijeengebracht. De komende vier jaar dient het openbaar vervoer gratis te worden voor jongeren onder de 12 jaar, met begeleiding, en voor ouderen boven de 65 jaar. Als stevig is geïnvesteerd in het openbaar vervoer, kan over vier jaar een systeem voor eerlijke betaling van het wegvervoer worden ingevoerd, waarbij je meer betaalt als je meer reist.
[ Introductie | Betere democratie | Beter Delen | Beter zorgen | Betere veiligheid | Beter leren | Beter wonen | Beter groen | Betere cultuur | Beter samenleven | Beter integreren | Beter samenwerken | Beter investeren ]
Ontvang de nieuwsbrief van Emile Roemer en belangrijk nieuws van de SP: meld je aan.
Teken ook het manifest
‘1 voor allen’