
Vanuit de lucht gezien is ons land mooi groen. Maar wanneer je goed kijkt, zie je ook hoeveel grond al bebouwd is. Dat is op zich niet erg, voorzover dat het gevolg is van doordacht en verantwoord beleid, en er voldoende open landschap en natuurgebied over blijft. Landschap en natuur worden echter te gemakkelijk opgeofferd aan commerciële kortetermijnbelangen. Boeren die ons landschap beheren, gaan ten onder in een moordende wereldconcurrentie. Willen we een gezonde boerenstand zijn werk naar behoren laten doen, het dierenwelzijn bewaken, het landschap behouden, de natuur bewaren en het milieu beschermen, dan dient de komende regering op dit gebied andere keuzes te maken.
Veel mensen maken zich met recht zorgen over de toekomst van ons buitengebied en de waarden die dat vertegenwoordigt: agrarisch, landschappelijk, cultuurhistorisch en recreatief. Ook veel boeren maken zich zorgen over de toekomst. Boeren leveren al sinds jaar en dag een grote bijdrage aan onze voedselvoorziening en spelen vanouds een hoofdrol in het beheer van het buitengebied. Maar met veel boeren gaat het slecht. Steeds meer agrarische ondernemers gaan ten onder. Om hun voortbestaan te verzekeren worden voortdurend nieuwe technieken ingevoerd, maar deze leiden niet zelden tot overproductie en lage prijzen. De concurrentie op de wereldmarkt is moordend, de animo onder jongeren om boerenbedrijven over te nemen of om zélf een boerderij te beginnen is laag. Een derde van de boerenbevolking leeft onder het bestaansminimum.
Boeren worden geconfronteerd met verstikkende regelgeving, die voorbij gaat aan het eigen ethos. Dierziektes steken steeds vaker de kop op. Overbemesting en verzuring verslechteren het milieu. Massale ‘ruimingen’ en voedselschandalen zorgen voor veel maatschappelijke onrust en hebben het boerenbedrijf een slecht aanzien gegeven. Het aantal boerenbedrijven dat wordt beëindigd is verontrustend hoog. Deze crisisverschijnselen hangen, direct of indirect, samen met internationale ontwikkelingen als liberalisering en globalisering. De afgelopen kabinetten deden vooral een beroep op ‘ondernemerschap’ en pleitten voor verdere schaalvergroting en specialisering, maar dit is eerder een deel van de kwaal gebleken dan een aanzet tot een oplossing. Het is belangrijk om een gezonde landbouw in Nederland te behouden. Honderdduizenden mensen zijn voor hun werk direct of indirect afhankelijk van de landbouw. De landbouw heeft bovendien grote betekenis voor het instandhouden en beheren van de natuur. En natuurlijk voor het bevorderen van voedselzekerheid, voedselveiligheid en voedselkwaliteit. Aanpassing én verdediging van de landbouw dienen in de komende periode de uitgangspunten te zijn van het beleid.
De Europese Unie, die ons landbouwbeleid goeddeels voorschrijft, is bezig prijssteun aan boeren te vervangen door toeslagen. Deze worden verkocht als sociale en milieumaatregelen, maar leiden in de praktijk tot verkapte dumping van landbouwproducten. Door een meer evenwichtige quotering van het internationale aanbod kunnen redelijke wereldmarktprijzen worden gehandhaafd. Toeslagen aan boeren moeten niet in de plaats komen van lonende prijzen, maar werkelijk worden gebruikt voor de sociale en milieudoelstellingen waarvoor ze heten te zijn. De EU hoort ook niet langer ontwikkelingslanden met Europese Partnerschap Overeenkomsten te dwingen tot een eenzijdige liberalisering van hun handelsbeleid.
We pleiten voor een democratisering van het plattelandsbeleid. Veel plattelandsbewoners hebben het gevoel dat over hun hoofden heen wordt besloten over wonen en werken in hun omgeving. Vaak ziet men zichzelf, niet onbegrijpelijk, als een passieve ontvanger van beleid dat door anderen is uitgedacht. Toekomstig beleid moet minder voorschrijven en meer mogelijkheden scheppen voor initiatieven van plattelanders zélf. In plaats van versnelde schaalvergroting en verdere modellering van de Nederlandse landbouw pleiten wij voor meer multifunctionele boerenbedrijven. We willen boeren vaker inschakelen bij natuurbeheer en het voor agrarische jongeren gemakkelijker maken om het ouderlijke bedrijf over te nemen. Verder is ondersteuning gewenst voor nieuwe samenwerkingsvormen die de afgelopen jaren op het platteland zijn ontstaan, zoals de gebiedscoöperaties in Noord- en Zuid-Holland, Friesland en Noord-Brabant.
Mensen willen koeien en schapen in de weilanden zien. Boeren moeten voor hun taak als landschapsbeheerder worden beloond. Naast een snelle uitbouw van de Ecologische Hoofdstructuur willen we in de komende kabinetsperiode een onderzoek laten uitvoeren naar de voor- en nadelen van de inpoldering van het Markermeer. Tussen Amsterdam en Almere is veel behoefte aan nieuw land voor woningen en recreatie, maar ook aan nieuwe natuur met een hogere ecologische waarde. Door in dit gebied ruimte te geven aan nieuwe natuur zou in Nederland naast het Waddengebied, onze enige wildernis van internationale betekenis, een natuurgebied van formaat kunnen ontstaan.
De milieuproblemen van vandaag vragen om goede regelgeving en technische innovatie. Maar niet minder belangrijk is om mensen meer te betrekken bij het creëren van een duurzame economie en leefomgeving. Het doorberekenen van milieukosten aan producenten kan daarbij een goed instrument zijn. Het uitgangspunt dat de vervuiler betaalt, mag wat ons betreft ruimer en strikter worden gehanteerd. Te veel milieuschade wordt op dit moment door producenten op de samenleving afgewenteld of geëxporteerd naar ontwikkelingslanden (waaronder asbestschepen). Veel producten hebben een kortere levensduur dan technisch mogelijk is, waardoor zij eerder tot afval worden en ons milieu onnodig belasten. De verpakkingsindustrie zadelt ons op met allerhande onnodig afval en moet daarop worden aangesproken.
Ruim 95 procent van de 450 miljoen landbouwdieren die we hebben leeft in de bio-industrie. Het dierenleed dat schuil gaat achter de muren van sommige stallen is schrijnend en blijft voor het grootste deel verborgen voor het grote publiek. We zijn meer dieren steeds intensiever gaan houden. Voor de binnenlandse markt, maar vooral ook voor de export. Deze export is van groot economisch belang, maar soms slaan we door. Het onverdoofd castreren van biggen en het versnipperen van vleeskuikens zijn wrede praktijken die gepaard gaan met veel dierenleed. Dierlijke productie moet voldoen aan stevig aangescherpte eisen van dierenwelzijn. De (biologische) dierhouderij en de productie van biologische vlees- en zuivelproducten moeten worden gesteund, ook als dat economisch nog niet volledig rendabel is. Dierenrechten moeten meer aandacht krijgen in de politiek en in de Grondwet moet een zorgplicht van de overheid voor dierenwelzijn worden opgenomen. Het houden van dieren voor de bontproductie wordt verboden. We maken een einde aan de ‘plezierjacht’ en stimuleren alternatieven voor dierproeven. Het transport van dieren moet tot een minimum worden beperkt en aan strengere regels worden gebonden.
Europese bemoeienis en internationale handelsafspraken beperken onze mogelijkheden om een goed eigen duurzaamheidsbeleid te voeren. Veel verdragen en afspraken over natuur en milieu leggen het in de praktijk af tegen de handelsverdragen van de WTO en de Wereldbank. Zo is een Nederlands verbod op illegaal gekapt hout niet mogelijk. Boeren kunnen ongestoord soja importeren waarvoor bij de productie tropisch regenwoud wordt gekapt. Het is hoog tijd dat internationaal prioriteit wordt gegeven aan milieuafspraken, boven handelsverdragen. Nederland zal daartoe binnen de EU en in de WTO het initiatief moeten nemen.
Het toenemende energieverbruik leidt tot een steeds urgenter klimaatprobleem en tast de luchtkwaliteit aan. Nederland dient de uitstoot drastisch te beperken. De bouw van nieuwe kernenergiecentrales is geen verantwoorde oplossing, vanwege het nog steeds niet opgeloste afvalprobleem. Wel moeten we een grondige omslag maken in ons denken over energie. We verbruiken veel te veel energie en moeten meer leren besparen: op autobrandstof en elektrische apparaten, de verwarming van huizen en kantoren en het brandstofverbruik, bijvoorbeeld in de glastuinbouw. De overheid kan burgers en bedrijven daarbij ondersteunen.
De beschikbaarheid van olie en gas komt in de nabije toekomst onder druk te staan en we worden steeds meer afhankelijk van invoer uit een beperkt aantal, soms risicovolle landen. Daarom is een geleidelijke overgang nodig naar een niet-fossiele brandstofvoorziening. We moeten meer investeren in hernieuwbare energie, in wind, zon en nieuwe vormen van schone energie. Daarbij mag ook van energieconcerns een grotere bijdrage worden gevraagd. Energiebedrijven zouden een groter deel van hun energie moeten leveren in de vorm van duurzame energie. Privatisering van energiebedrijven past daar niet bij. De overheid kan de overgang naar een duurzame energieproductie stimuleren door een uit de aardgasopbrengsten te bekostigen fonds. Een eventuele nieuwe kolencentrale kan worden gebruikt als demonstratieproject voor de nieuwe technologie voor de opslag van CO2.
[ Introductie | Betere democratie | Beter Delen | Beter zorgen | Betere veiligheid | Beter leren | Beter wonen | Beter groen | Betere cultuur | Beter samenleven | Beter integreren | Beter samenwerken | Beter investeren ]
Ontvang de nieuwsbrief van Emile Roemer en belangrijk nieuws van de SP: meld je aan.
Teken ook het manifest
‘1 voor allen’