
We hechten in Nederland veel waarde aan bestaanszekerheid, ook bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid en ouderdom. We hechten aan behoud van ons stelsel van sociale zekerheid, zoals dat sinds de Tweede Wereldoorlog is opgebouwd. Daarbij vinden we het ook redelijk dat niemand ten onrechte gebruik maakt van de sociale regelingen. De behoefte aan zekerheid botst met de praktijk van het gevoerde beleid. De regeringen van Kok en Balkenende hebben beperking van de bescherming van werknemers en inperking van de sociale zekerheid tot een speerpunt van beleid gemaakt. Onder de noemer van flexibilisering, eigen verantwoordelijkheid, prestatiebeloning, privatisering en marktwerking is bewust onzekerheid georganiseerd. Evenals door het onrechtvaardig streng herbeoordelen van WAO’ers, verruimen van de arbeidstijden, bemoeilijken van de toegang tot de sociale zekerheid en verlagen van de uitkeringen. Deze onzekerheid wordt versterkt door het vrijmaken van de Europese markt en door de neoliberale globalisering van de economie.
Veel bedrijven lijken in een permanente staat van herstructurering en reorganisatie te verkeren. Laag- maar ook hooggeschoold werk verdwijnt steeds vaker naar lagelonenlanden. Zelfs bij bedrijven die veel winst maken, verdwijnen banen. Veel jongeren hebben geen garantie op een stageplaats, laat staan op een baan, waardoor ze een valse start maken op de arbeidsmarkt. Te veel jongeren halen geen diploma. Goedkope arbeidskrachten uit het buitenland vormen een bedreiging voor werknemers en kleine zelfstandigen. Een groot deel van de bevolking heeft een weerzin tegen deze neoliberale ontwikkelingen. Zij wijzen de harde ‘prestatiemaatschappij’ van meer arbeidsonzekerheid, langer werken en minder verdienen af.
De regeringen van Lubbers, Kok en Balkenende hebben in het verleden spookbeelden opgeroepen om de onzekerheid aan te wakkeren en maatregelen door te voeren die een meerderheid van de bevolking eigenlijk niet wil. De ‘onbetaalbaarheid van de sociale zekerheid’, de ‘molensteen van de collectieve lastendruk’ en de opkomst van de ‘Aziatische tijgers’ leidden in de jaren tachtig tot een politiek van loonmatiging en uitholling van de sociale zekerheid. Tegen alle bangmakerij in bleken landen die een brede collectieve sector hielden, zoals de Scandinavische landen, niet failliet te gaan. Integendeel. Op tal van terreinen presteren ze beter dan wij. De Aziatische tijgers hebben ons niet opgevreten, de economische banden met bijvoorbeeld Zuid-Korea en Taiwan zijn tot wederzijds profijt. Toch worden opnieuw spookbeelden opgeroepen, nu met namen als ‘vergrijzing’, ‘onbetaalbaarheid van de AOW’ en ‘dreigend tekort aan arbeidskrachten’. Alsof de geschiedenis zich herhaalt, worden wederom ontwikkelingslanden opgevoerd als bedreiging voor onze welvaart. De nieuwe tijgers heten nu China en India.
De onzekerheid die het gevolg is van de globalisering, kan niet worden beantwoord met flexibilisering, verruiming van het ontslagrecht en meer eigen verantwoordelijkheid. Mensen zijn sociale wezens, die in lotsverbondenheid problemen tegemoet willen treden. In plaats van verdergaande individualisering en privatisering zou gekozen moeten worden voor herstel van de georganiseerde solidariteit, wat ons ook in het verleden sterk heeft gemaakt. Met elkaar, niet tegen elkaar, zou het motto moeten zijn voor ons toekomstige stelsel van sociale zekerheid.
Om onze welvaart te behouden is het nodig dat iedereen die kan werken, dat ook doet. Volledige werkgelegenheid dient centraal te staan in het sociaal-economisch beleid. Dat betekent dat bedrijven het maken van winst moeten combineren met het behoud van werkgelegenheid. Dat betekent ook dat de overheid maatregelen neemt om mensen aan de slag te krijgen, bijvoorbeeld door een industriepolitiek gericht op innovatie en door investeringen in de publieke sector. Bovendien betekent dit dat het beschikbare werk zo goed mogelijk wordt verdeeld. Leeftijdsdiscriminatie en andere vormen van discriminatie dienen te worden bestreden.
Het is goed om burgers te houden aan hun verplichtingen, maar op overdreven regelzucht zit niemand te wachten. Nu al staan in veel sociale wetgeving niet de mensen maar de regels centraal. Instituties als UWV en CWI zijn logge bureaucratische instanties geworden, waar begeleiding op maat onmogelijk is. De geprivatiseerde arbeidsbemiddeling is in handen gekomen van commerciële reïntegratiebedrijven, die zich in veel gevallen meer bekommeren om de winst dan om het vinden van werk voor hun klanten. In de sociale werkvoorziening staat de arbeidsproductiviteit vaker centraal dan het rekening houden met de mogelijkheden van de mensen die daar werken. De individuele begeleiding in de werkplaatsen moet worden verbeterd. Gemeentelijke leerwerkbedrijven moeten worden opgericht om mensen die geen werk kunnen vinden, scholing, praktijkervaring of (tijdelijk) werk aan te bieden. Deze leerwerkbedrijven moeten ook stages bieden aan leerlingen die (nog) niet bij bedrijven terecht kunnen. Arbodiensten worden onafhankelijker, door ze onder te brengen in de publieke sfeer.
De ‘flexwet’ en de toename van het uitzendwerk hebben een tweedeling op de arbeidsmarkt teweeggebracht, met aan de ene kant mensen met vaste banen en aan de andere kant mensen met kortlopende en tijdelijke contracten. Gaandeweg is ook een groeiende groep van ‘werkende armen’ ontstaan. Nederland telt een kwart miljoen huishoudens waar arbeid de voornaamste bron van inkomsten is, maar niet genoeg oplevert om boven de armoedegrens uit te komen. Mensen die werken, horen fatsoenlijk te worden betaald.
Stabiele arbeidsrelaties scheppen een klimaat van betrokkenheid en zekerheid en maken het voor bedrijven lonend om te investeren in mensen. Hoe minder stabiel de werkkring, hoe geringer de kans op inzet en creativiteit van de kant van de werknemer. De levensloopregeling moet worden verbeterd. Werknemers zouden gebruik moeten kunnen maken van zowel de levensloopregeling als de spaarloonregeling. In een aantal acute situaties hoort het opnemen van zorgverlof niet langer afhankelijk te zijn van de toestemming van de werkgever.
Arbeidsmigratie uit de nieuwe lidstaten van de Europese Unie en daarbuiten moet beter worden geregeld. Werkgevers kunnen geen beroep doen op buitenlandse arbeidskrachten als er geen garanties zijn voor het uitbetalen van gelijk loon voor gelijk werk en voor fatsoenlijke huisvesting van arbeidsmigranten. Inzet van illegale arbeid is schadelijk voor binnen- én buitenlandse arbeidskrachten en moet worden voorkomen.
Ondanks de groei van ons gezamenlijke inkomen is de armoede in Nederland toegenomen – een groeiend aantal mensen wordt zelfs afhankelijk van voedselbanken. Na decennia van toenemende inkomensongelijkheid zijn nu maatregelen nodig om een eerlijkere verdeling van de welvaart mogelijk te maken, zoals verhoging van het minimum(jeugd)loon, invoering van inkomensafhankelijke kinderbijslag en een inkomensafhankelijke ziektekostenpremie, afschaffing van de no-claimregeling in de zorg en aanpassing van de aftrek van de pensioenpremie, zodat de hoogste inkomens niet langer extra worden bevoordeeld ten opzichte van andere burgers.
De AOW hoort weer welvaartsvast te worden – en te blijven. Door de fiscale ouderenkorting te verhogen, gaan ouderen met alleen AOW en een klein aanvullend pensioen er extra op vooruit. De onbillijke eisen voor herkeuring van arbeidsongeschikten worden aangepast en de toegang tot de WIA wordt verbeterd.
Nederland telt bijna 700.000 – vooral kleine – bedrijven. Het midden- en kleinbedrijf heeft met recht de naam de motor van de economie te zijn en de plek waar de meeste banen worden gemaakt. Kleine ondernemers zijn van grote waarde voor de economie, maar het starten van een onderneming is onnodig moeilijk. Er is veel regelgeving en nauwelijks sociale zekerheid. Ruim 1 op de 7 zelfstandigen leeft onder de armoedegrens. Kleine ondernemers en zelfstandigen krijgen te weinig aandacht van de politiek. Achtereenvolgende regeringen hebben vooral oog gehad voor middelgrote en grote ondernemingen. In de komende kabinetsperiode dient het midden- en kleinbedrijf meer steun te krijgen.
Voor een bloeiende economische ontwikkeling is innovatie van groot belang. In die vernieuwing blijft Nederland echter achter. Veel ondernemers lijken bang om nieuwe paden te betreden. Ook grotere bedrijven die er financieel goed voor staan, investeren relatief weinig in onderzoek en ontwikkeling. Om de innovatie structureel te bevorderen moet meer gebeuren dan het instellen van een prestigieus Innovatieplatform. Veel belangrijker is dat we ons realiseren dat kortetermijndenken in het bedrijfsleven versterking en verbetering van de economie in de weg staat. Te veel wordt gekeken naar direct meetbare resultaten en te weinig naar de opbrengsten voor de toekomst. De komende regering dient meer publieke middelen vrij te maken voor onderzoek en ontwikkeling, en ondernemers meer aan te spreken op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Bijna 80 procent van onze technologische innovatie komt uit de industrie. Daarom is een innovatieve industriepolitiek onontbeerlijk. De overheid kan innovatieve investeringen in de industrie ondersteunen. De industrie creëert werkgelegenheid over de volle breedte van de arbeidsmarkt. Mensen die werken met hun handen zijn ook in de toekomst hard nodig. Tegelijkertijd blijkt dat bijna de helft van de bedrijven een tekort heeft aan geschoold productiepersoneel. De aansluiting van (V)MBO’ers op het bedrijfsleven moet worden verbeterd, zodat het tekort aan geschoold personeel kan worden aangepakt.
Ondernemers hebben een belangrijke stem in de politiek. Dat geeft hen ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Veel ondernemers laten zich te eenzijdig leiden door een streven naar winstmaximalisatie en hebben te weinig oog voor andere functies van het ondernemen, zoals het creëren en het in stand houden van werk. Onder maatschappelijk verantwoord ondernemen valt ook het bieden van stageplaatsen aan leerlingen en studenten, van werkplekken voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten en van banen aan afgestudeerde VMBO’ers en kinderen van migranten. Verantwoord ondernemen betekent bovendien verantwoord investeren van de gemaakte winsten, in scholing van personeel, betere arbeidsomstandigheden en een schoner milieu. Ondernemers die laten zien dat ze werkelijk invulling geven aan die verantwoordelijkheid, moeten kunnen rekenen op meer steun van de overheid. Zij die er met de pet naar gooien, mogen worden aangepakt. Dat geldt ook voor de zogenoemde ‘private equity’-maatschappijen, ofwel ‘strip- en sloopkapitalisten’, die steeds meer Nederlandse bedrijven opkopen met als enige doel om te cashen. Daarbij houden zij geen rekening met bijvoorbeeld de belangen van werknemers en consumenten. De overheid dient die ontwikkeling een halt toe te roepen.
[ Introductie | Betere democratie | Beter Delen | Beter zorgen | Betere veiligheid | Beter leren | Beter wonen | Beter groen | Betere cultuur | Beter samenleven | Beter integreren | Beter samenwerken | Beter investeren ]
Ontvang de nieuwsbrief van Emile Roemer en belangrijk nieuws van de SP: meld je aan.
Teken ook het manifest
‘1 voor allen’